thema:

Und mit der Zit verbrennt die ganzi Welt. Johann Peter Hebel (1760-1826)

Vertaling:

Wie in de Duitse taal probeert zo bondig mogelijk te schrijven, die moet bijna vanzelfsprekend te rade gaan bij een in Bazel geboren protestantse theoloog: Johann Peter Hebel.

Deze man, afkomstig uit een eenvoudig milieu, die het na jarenlang als leraar gewerkt te hebben toch maar tot hoogste geestelijke in de Lutherse kerk van Baden en tot parlementslid bracht, geldt tot op de dag van vandaag als maatstaf voor een perfect stijlgevoel. Zelfs de grootste hater van de Duitse literatuurgeschiedenis zou zich gemakkelijk laten alfabetiseren door de volgende lijst van beroemde Hebel-bewonderaars: Walter Benjamin, Ernst Bloch, Elias Canetti, Heimito von Doderer, Johann Wolfgang von Goethe, de gebroeders Grimm, Martin Heidegger, Jean Paul, Franz Kafka, Gottfried Keller, Rainer Maria Rilke, W.G. Sebald e.a.

Benjamin prees Hebels `contact met de gehele breedte van de werkelijkheid’ en vond dat alleen de door hem eveneens bewonderde schrijver Jean Paul met hem vergeleken kon worden; hij noemde het Schatzkästlein des Rheinischen Hausfreunds, de verzamelde almanakverhalen van Hebel en de basis van zijn roem, een van de `zuiverste werken van de Duitse proza-goudsmederij.’

En Franz Kafka, van wie wij uit de biografie van Max Brod weten dat hij Hebel buitengewoon waardeerde en hem naast Kleist en Grillparzer tot zijn favoriete schrijvers rekende, gaf zijn toenmalige verloofde Felice Bauer het volgende goed gedoseerde leesadvies: ‘Heel goed zou af en toe Hebel zijn.’ Maar het fraaiste bewijs van Kafka’s bewondering voor Hebel is een exemplaar van het Schatzkästlein dat hij de voordrachtskunstenaar Ludwig Hardt heeft doen toekomen, een cadeautje met een persoonlijke opdracht op het schutblad: ‘Voor Ludwig Hardt, om Hebel een plezier te doen, van Franz Kafka.’ In een gesprek met genoemde Ludwig Hardt noemde Kafka het verhaal ‘Unverhofftes Wiedersehen’ `het mooiste verhaal dat er bestaat’, aldus Elias Canetti in zijn toespraak bij de uitreiking van de Johann-Peter-Hebel-Prijs.

Ook de filosoof Ernst Bloch bevestigt in het voorwoord van zijn eigen Hebel-bloemlezing de unieke kwaliteit van dat speciale verhaal door er eenvoudigweg tussen haakjes bij te zetten: `het mooiste verhaal ter wereld’.

Het zijn vooral dit soort superlatieven die hebben bijgedragen aan het hardnekkige gerucht dat er op de B-kant van Hebels Greatest Hits niets staat. Een of twee canonieke teksten, dat wel, en dan vooral ‘Unverhofftes Wiedersehen’, maar verder zou er bij Hebel toch weinig te halen zijn. Een tweede oorzaak van dat vooroordeel is misschien het feit dat Hebels totale oeuvre op een smalle, zij het fraaigewelfde voet staat.

Qua voorkeur en temperament was Hebel in de eerste plaats een dichter. Proza schreef hij – dat was al enkele jaren later – vanuit een groot verantwoordelijkheids- en plichtsbesef. Het gymnasium in Karlsruhe, waar Hebel sinds 1791 lesgaf en vanaf 1808 directeur was, gaf namelijk jaarlijks een Lutherse almanak uit, de Badische Landkalender. In 1807 nam Hebel daarvan de redactie op zich en voortaan heette de almanak Der Rheinländische Hausfreund. De beste teksten kwamen van Hebel zelf. Het later als boek bij Cotta uitgegeven Schatzkästlein is een destillaat van de oorspronkelijke Hausfreund.

Maar laten we de juiste volgorde aanhouden en teruggaan naar Hebels literaire begin: de poëzie.

Hebels in 1803 verschenen gedichten – Goethe was er verrukt van, en Jean Paul beval ze de lezers van de Zeitung für die elegante Welt van harte aan – zijn geschreven in het Alemannisch, een Opper-Duits dialect. Heel terecht zei Rilke na het lezen van die teksten dat Hebel niet in het dialect had gedicht, maar dat het dialect in hem dichterlijk was geworden.

Een van de mooiste gedichten uit die bundel beschrijft de loop van de Wiese, vanaf de bron tot aan de monding, van die in Feldberg ontspringende rivier, die door het dal van Hebels kindertijd stroomde en die in de laatste ijstijd een delta heeft opgeworpen waarvoor de Rijn bij Bazel zijn beroemde knie buigt.

Het misschien nog wel fraaiere gedicht Die Vergänglichkeit – een entropisch-apocalyptische dialoog tussen vader en zoon, gecomponeerd als het tikken van een worm in de houten lambrisering – toont indringend hoe alle dingen in razend tempo op hun natuurlijke einde afglijden: een verlaten burcht op een uitstekende rotspunt in het Röttler Woud, de stad Bazel zelf of, aan het einde der tijden, de hele levende en levenloze natuur. ‘… und alles schlicht / sim Alter zu, und alles nimmt en End, / und nüt stoht still. Hörsch nit, wie’s Wasser ruuscht …’1

Het is een uitvoerige klacht over het verdwijnen die, zoals eigenlijk altijd bij Hebel, uitloopt op een christelijke heilsverwachting. Met het idee van een schepping waaruit elk leven is verdwenen gaat als vanzelfsprekend de hoop gepaard dat alle acteurs opnieuw van achter de coulissen tevoorschijn zullen komen zodra het doek voor het laatst opgaat.

Vergankelijkheid is ook het onderwerp van ‘Unverhofftes Wiedersehen’. De Duitstalige literatuur zou heel wat missen zonder die bedolven mijnwerker die, jaren voor de ontdekking van het formaldehyde, in vitrioolwater is geconserveerd (zoals trouwens ook de Amerikaanse muziekgeschiedenis armer zou zijn als William – ‘Billy’ – Lyons niet door Stagger Lee was vermoord).

De historisch gedocumenteerde oorsprong van het verhaal ligt in het Zweden van de 17de eeuw, om precies te zijn in de stad Falun, op het terrein van een kopermijn (van dezelfde mijn waar als bijproduct het pigment Falunrood werd gewonnen, dat als voornaamste bestanddeel van een chemische dispersie een verf heeft opgeleverd die op bijna elke Zweedse gevel is terug te vinden vanwege zijn houtconserverende eigenschappen). Daar, in het jaar 1670, heeft de ook bij Hebel beschreven mijnramp plaatsgevonden. De naam van de bedolven man is bekend geworden door het wetenschappelijke verslag van een assessor van het mijnwezen: Mathias Israelsson.

In 1719 werd Israelsson, nadat hij uit de ingestorte mijngang was geborgen, onder een luchtdichte glazen stolp aan het publiek getoond: een na bijna 50 jaar uiterlijk volkomen gaaf bewaard gebleven petrefact. De oude vrouw die zei dat ze in Israelsson haar vroegere verloofde herkende, heeft ook echt bestaan. In zoverre klopt Hebels versie met de werkelijkheid. Maar anders dan in `Unverhofftes Wiedersehen’ was ze vermoedelijk een oplichtster, die een weduwevergoeding in de vorm van een drankvergunning in de wacht wilde slepen – een zeker niet ongebruikelijke praktijk in die dagen.

Het verhaal van de mijnwerker kwam voor het eerst in de Duitse literatuur terecht in 1808, en wel door een passage in Gotthilf Heinrich von Schuberts boek Ansichten von der Nachtseite der Naturwissenschaft. Hier werd het gedenkwaardige geval in een paar korte regels behandeld.

Het opzienbarende van de gebeurtenis bracht een jaar later het in Gotha uitgegeven tijdschrift Jason ertoe een verhalenwedstrijd uit te schrijven. De schrijvers van het land werden uitgenodigd hun fantasie op het genoemde materiaal los te laten.

Tot op de dag van vandaag kunnen we zien hoe het onderwerp literair heeft doorgewerkt. Een chronologische opsomming van de auteurs die het thema op hun manier hebben behandeld, kan dit misschien verduidelijken: E.T.A. Hoffmann, Friedrich Hebbel, Friedrich Rückert, Achim von Arnim, Richard Wagner, Hugo von Hofmannsthal, Franz Fühmann, W.G. Sebald. Met name in de romantische school verzelfstandigde het mijnmotief zich al snel en veranderde het onderaardse in een algemeen codeteken voor het onderbewuste (tenslotte had de vroegromanticus Novalis zelf mijnbouwkunde gestudeerd en werkte hij als directie-assistent van een zoutmijn).

Maar in ‘Unverhofftes Wiedersehen’ heeft het merkwaardige gebeuren uit Zweden al vroeg, in 1811, zijn definitieve vorm gevonden. Ook dit volmaakte almanakproza is op spreektaal georiënteerd, maar het is zeker niet in dialect geschreven. Het zijn de regionale kleur, de droge beits, de rook van het Oberland die de tekst zijn typische levendigheid verlenen. Daarbij is het karakteristiek voor Hebel dat hij verschillende op zichzelf staande indrukken samensmeedt tot één literaire vorm die zowel uniek als treffend is; een esthetisch concentraat zonder additieven en smaakversterkers. Bewonderenswaardig is ook het meesterschap waarmee Hebel op korte afstand elementair-epische krachten weet te ontketenen. Het duidelijkst zien we dat misschien wel aan die narratief vermetele boog waaronder hij de stof van vijf decennia verzamelt: vanaf de aardbeving in Lissabon via Napoleons verovering van Pruisen tot aan het bombardement op Kopenhagen door de Engelsen.

Schitterend en weergaloos is ten slotte de beschrijving van de opgegraven mijnwerker, die ongedeerd uit zijn met vitriool gevulde verjongingsbron oprijst. Waar vinden we ook maar ergens in de wereldliteratuur – even afgezien van Stendhals gekristalliseerde ‘tak van Salzburg’ – een mooier verbond tussen anorganica en schone kunsten? Tot op de dag van vandaag blijft het verbazend hoe natuurlijk het verloop van de handeling wordt gepresenteerd als iets vanzelfsprekends, dat als het ware in zichzelf besloten ligt. De lezer zal niets vinden over de werkwijze of de techniek, geen kleermakerskrijt dat uit het hulppatroon opwolkt.

Met een vertraging van meer dan 200 jaar (ondertussen zijn er een Amerikaanse burgeroorlog en twee wereldoorlogen geweest; Abraham Lincoln is doodgeschoten evenals John F. Kennedy; auto, vliegtuig en computer zijn uitgevonden; wetenschappers hebben de atoombom ontwikkeld en het Amerikaanse leger heeft die op Hirosjima en Nagasaki gegooid; de Berlijnse muur is gebouwd en weer afgebroken; de mens is op de maan geland en heeft ruimtesondes naar Mars gestuurd) is het verhaal, geen dag verouderd, een cadeautje waarbij op het schutblad maar één opdracht dient te staan: `om Hebel een plezier te doen’.

 

 

 

—————————————————–

Het verhaal van Hebel ‘Een onverhoopt weerzien’ is voor dit nummer van Terras vertaald door Anneke Brassinga.

1 ‘… en alles gaat sluipend op de ouderdom af, en aan alles komt een eind, en niets staat stil. Hoor je niet hoe het water ruist …’ Fragmenten van Die Vergänglichkeit zijn verschenen in het essay over Hebel in de bundel van W.G. Sebald Logies in een landhuis (Amsterdam, 2012), in een vertaling van Ria van Hengel, die nu werkt aan de vertaling van het volledige gedicht voor het volgende nummer van Terras.

Matthias Kniep (1971), literatuurwetenschapper. Medewerker Literaturwerkstatt. Coördineerde Das Große Berlin-Gedicht (2011) en publiceerde in Fuge.

Ria van Hengel (1939) vertaalde werk van Elfriede Jelinek, Herta Müller, W.G. Sebald en Martin Walser. Ook vertaalde ze klassieke werken van Novalis, Heinrich von Kleist en de Sprookjes van de gebroeders Grimm.

 

Over de auteur:

Over de vertaler:

Ria van Hengel (1939), vertaler. Ze vertaalde modern werk van Elfriede Jelinek, Herta Müller, W.G. Sebald en Martin Walser en klassieke literatuur van Grimm, Goethe, Heinrich von Kleist en Novalis.