thema:

Een onverhoopt weerzien

Vertaling:

In Falun, Zweden, kuste ruim vijftig jaar geleden een jonge mijnwerker zijn jonge, mooie verloofde en zei tegen haar: ‘Met Sint-Lucia wordt onze liefde ingezegend door de pastoor. Dan zijn we man en vrouw en gaan ons eigen nestje bouwen.’—‘En vrede en liefde zullen daar met ons wonen,’ zei de bekoorlijke bruid met een tedere glimlach, ‘want jij bent alles voor mij, en zonder jou zou ik nergens liever zijn dan in het graf.’ Maar toen kort voor Sint-Lucia de pastoor voor de tweede maal in de kerk hun namen had afgeroepen: ‘Zo iemand van u een beletsel kan noemen waarom deze twee niet in de echt verbonden kunnen worden,’ – kwam de Dood zich melden. Want de volgende ochtend, toen de jongeman in zijn zwarte mijnwerkerskledij haar huis voorbijging – een mijnwerker heeft altijd zijn doodkleed aan – klopte hij weliswaar nog eenmaal aan haar venster en zei haar goedemorgen, maar goedenavond zei hij haar niet. Hij keerde niet uit de mijn terug, en vergeefs naaide zij die ochtend een zwarte halsdoek met rode zomen voor hem, om op de bruiloftsdag te dragen; toen hij niet meer terug kwam evenwel borg zij de doek weg, huilde om hem en vergat hem haar leven lang niet. Intussen werd in Portugal de stad Lissabon door een aardbeving verwoest, de Zevenjarige Oorlog kwam en ging, keizer Franz I stierf, de orde der Jezuïeten werd ontbonden en Polen opgedeeld, keizerin Maria Theresia stierf en Struensee werd ter dood gebracht, Amerika werd onafhankelijk en de gezamenlijke Franse en Spaanse legermacht wist Gibraltar niet in te nemen. De Turken hielden generaal Stein vast in de Veteranengrot, in Hongarije, en keizer Joseph stierf ook. Koning Gustav van Zweden veroverde Russisch Finland, de Franse Revolutie begon en daarna de lange oorlog, en ook keizer Leopold II werd begraven. Napoleon veroverde Pruisen, de Engelsen bestookten Kopenhagen en de boeren zaaiden en oogstten. De molenaar maalde, de smeden hamerden op het aambeeld, de mijnwerkers groeven in hun onderaardse werkplaats naar ertsaders. Maar toen de mijnwerkers in Falun in het jaar 1809 kort voor of na Sint-Jan een gang tussen twee schachten probeerden open te leggen, op ruim tweehonderd meter diepte, dolven ze uit het puin en het vitriool het lijk op van een jongeman, die geheel doordrenkt van ijzervitriool was maar voor het overige geen spoor van ontbinding vertoonde en onveranderd was, zodat zijn gelaatstrekken en leeftijd even goed af te lezen waren als wanneer hij maar een uur voordien gestorven was of eventjes ingeslapen tijdens het werk. Maar toen hij bovengronds was gebracht bleek dat zijn vader en moeder, zijn vrienden en kennissen allang dood waren; geen mens die de slapende jongeman herkende of iets van zijn ongeluk afwist, totdat de vroegere verloofde kwam, van de mijnwerker die op een dag in de mijn was afgedaald en nooit teruggekeerd. Grijs en verschrompeld, lopend met een kruk, kwam zij naar de plaats waar hij lag en herkende haar bruidegom; meer in blijde verrukking dan in droefenis zonk ze op het lijk van haar liefste neer, en pas toen haar langdurige, heftige gemoedsbeweging bedaarde, zei ze: ‘Het is mijn verloofde, vijftig jaar heb ik om hem gerouwd en nu, voordat ik zelf heenga, geeft God me hem nog eenmaal te zien. Acht dagen voor de bruiloft ging hij de mijn in en kwam niet terug.’ Al de omstanders werden weemoedig, en tot tranen geroerd, toen ze het zagen – de vroegere verloofde, nu een verwelkt, krachteloos oudje, en de bruidegom, in al zijn jeugdige schoonheid, en hoe in haar borst na vijftig jaren de jeugdige liefdesvlam nog eenmaal oplaaide; terwijl hij zijn mond niet opende om haar toe te lachen, zijn ogen geen blik van herkenning gaven; en hoe zij, als de enige die bij hem hoorde en recht op hem kon doen gelden, hem ten slotte door de mijnwerkers naar haar huisje liet dragen, totdat er op het kerkhof een graf voor hem zou zijn gedolven. De volgende dag, toen op het kerkhof zijn graf gereed was, en de mijnwerkers hem kwamen halen, opende zij een kastje, strikte de zwartzijden doek met rode rand om zijn hals en liep in haar zondagse kleren met de kist mee, als was het haar bruiloftsdag en niet zijn begrafenis. En toen hij op het kerkhof in zijn graf werd gelegd zei ze: ‘Rust nu maar zacht, nog een dag of een week, in het koele huwelijksbed, en word niet ongeduldig. Ik heb nog een weinig te doen, en kom dan gauw naar je toe, en gauw zal de nieuwe dag aanbreken. Wat de aarde eenmaal heeft teruggegeven, zal ze de tweede maal ook niet achterhouden,’ zei ze, en liep weg, met nog een laatste blik achterom.

 

______________________________________

Dit verhaal werd voor Terras opgediept door Matthias Kniep, die er het essay Und mit der Zit verbrennt die ganzi Welt over publiceert. Walter Benjamin schreef over deze geschiedenis in deel XI van De verteller (vert. voor Raster Anthony Mertens & Jacq Vogelaar). Voor Terras vertaalde Anneke Brassinga meer van Walter Benjamin over Hebel. W.G. Sebald schrijft over Hebel in Logies in een landhuis (vert. Ria van Hengel, 2012).

Johann Peter Hebel (1760-1826), dichter, leraar, geestelijke. Publicaties: Allemannische Gedichte. Für Freunde ländlicher Natur und Sitten (1803), Schatzkästlein des rheinischen Hausfreundes (1811), Biblische Geschichten. Für die Jugend bearbeitet (1824). Postuum verscheen Briefe (1957).

Anneke Brassinga (1948), dichter, essayist en vertaler. Recente publicaties: Wachtwoorden (verzamelde gedichten, 2005), IJsgang (poëzie, 2006), Bloeiend puin (essays, 2008) en Ontij (poëzie, 2010). Zij vertaalde onder meer werk van Beckett, Broch, Plath, Nabokov. Voor Raster hield zij een leeskroniek bij, in Terras 00 verscheen haar verhaal ‘Hartknopf’.

Over de auteur:

Johann Peter Hebel (1760-1826), dichter, leraar, geestelijke. Publicaties: Allemannische Gedichte. Für Freunde ländlicher Natur und Sitten (1803), Schatzkästlein des rheinischen Hausfreundes (1811), Biblische Geschichten. Für die Jugend bearbeitet (1824). Postuum verscheen Briefe (1957).

Over de vertaler: