thema:

Vloedgolven en rukwinden

Het overkomt me nog steeds weleens: ik loop verdwaald rond op zoek naar dat idyllische plaatje van de Cariben als tropisch Elysium wanneer ik net ben aangekomen op Cuba. Het dagelijks leven op de Caribische eilanden kan behoorlijk ongemakkelijk zijn. Het is er in mijn ervaring óf donker, stormachtig en nat, óf het zonlicht is zo fel dat je denkt dat je blind geworden bent. Je kunt uren onderweg zijn om van de ene plek naar de andere te komen in de stad. Na een plensbui – en die komen nogal eens voor – ben je vooral bezig om kapotgeslagen elektriciteitskabels te ontwijken en je voeten uit de blubber te trekken. Na een storm kun je beter omlopen, want hele straten kunnen door de zee zijn ingepikt. En als het zonnig is, is het zo extreem warm dat je je ene been niet voor het andere kan krijgen. Niks witte stranden en hangmatten en kokosnoten waar rietjes uit steken dus. Water en wind, Caribisch natuurgeweld: daar wil ik het hier over hebben.

Ongetwijfeld zal de toerist in een vijfsterrenhotel met airconditioning en zwembad met de bekende idyllische plaatjes thuiskomen. Hij zal de klimaatomstandigheden compleet anders beleven dan Juan met de pet, die dagelijks twintig kilometer fietst om op de zwarte markt vers gevangen vis te verkopen. De natuur is niet los te zien van economie en politiek. Het Caribisch gebied heeft eeuwenlang als proeftuin gefungeerd voor zowel kapitalistische als communistische experimenten. De eilanden werden vanaf de koloniale tijd door uitbuiting, slavernij en slavenhandel in een plantagemachine getransformeerd om geldstromen richting Europa te loodsen. Monoteelt in de vorm van suikerrietplantages hadden logischerwijs impact op het landschap, net zoals raffinaderijen, die een spil waren in een transnationaal kapitalisme. Maar ook de spookstad Ciudad Nuclear en de onvoltooide kerncentrale in Cuba, die ten tijde van de Koude Oorlog door Rusland werd gefinancierd, zijn als residu illustratief voor hoe de macropolitieke spanningen in de regio werden uitgevochten.

Internationale machtsrelaties dringen dwars door landschappen, broeigassen en zeewatertemperatuur heen. De laatste jaren zijn er nogal wat nieuwe stormen uitgebroken. Door klimaatverandering worden ze steeds krachtiger en geven ze zwaardere regenval. Katrina, Irma, Maria en Dorian hielden de afgelopen jaren flink huis op de Dominicaanse Republiek, Puerto Rico en Cuba, en ook de verwoestingen op Haïti, Dominica, Barbuda, Jamaica en Sint Maarten waren enorm. Honduras, Puerto Rico, Haïti en Myanmar staan in de top vier van landen die het meest lijden onder de huidige klimaatcrisis. In Honduras zijn over een kuststrook van meerdere kilometers dorpen onder de zeespiegel verdwenen, je kunt er nu duiken tussen wat een paar jaar geleden huizen, restaurantjes en hotels waren.

Het natuurgeweld is al veel langer een belangrijk personage in de Spaanstalige Caribische literatuur. De reisverslagen van Columbus (die soms meer lezen als een fantasievolle ridderroman) zitten vol beschrijvingen van de overweldigende natuur. In twintigste-eeuwse romans spelen de zee en de wind een belangrijke rol, bijvoorbeeld in het werk van de Cubaan Alejo Carpentier (1904-1980). Hij gebruikt het motief van de orkaan in boeken als El siglo de las luces (De guillotine op de voorsteven, 1966) en ¡Ecue-Yamba-O! (deze is als enige van Carpentiers romans niet in het Nederlands vertaald; de titel betekent ‘Gezegend zij de Heer’ in het Afrikaanse lucumí). Deze werken vinden onder andere inspiratie in Afro-Caribische mythologieën, en het magische wordt met het alledaagse verenigd. Ook de orkaan wordt geassocieerd met esoterische krachten en staat voor een intensivering van het idee van continue chaos.

Het woord ‘orkaan’ komt van het Spaanse huracán, dat op zijn beurt weer van juracán komt uit het Taíno, de taal van de oorspronkelijke bewoners van Puerto Rico, Hispaniola, Jamaica en Cuba. Juracán was de naam voor de storm die door de godin Guabancex werd veroorzaakt, een beweging die het draaien van de sterren nabootste en niet alleen destructie bracht maar ook vernieuwing en creatie. Uit de hedendaagse Cubaanse, Dominicaanse en Puerto-Ricaanse literatuur is natuurgeweld al helemaal niet weg te denken. Recente dystopische fictie lijkt voort te bouwen op Griekse, Precolombiaanse en Afrikaanse mythes over het einde der tijden. In weer ander literair werk worden de gevolgen van windvlagen eerder feitelijk beschreven, op een onderkoelde toon, maar in beide gevallen gaan de literaire stormen en zeeën hand in hand met maatschappijkritiek.

 

Lees meer over natuurgeweld in literatuur uit Cuba, Puerto Rico en de Dominicaanse Republiek in Terras #18 ‘Cariben’.

Over de auteur:

Nanne Timmer (1971) is universitair docente Latijns-Amerikaanse literatuur aan de Universiteit Leiden. Ze publiceert met regelmaat essays in het Spaans over thema´s als de stad en interculturaliteit (Ciudad y Escritura, LUP, 2013) en over het lichaam en biopolitiek (Cuerpos Ilegales, Almenara, 2018). Daarnaast dicht en vertaalt ze, in het Spaans en in het Nederlands. In 2012 publiceerde ze eigen poëzie in Logopedia (Bokeh, Spaanstalig); vertalingen van haar hand zijn te lezen in La isla de cuba: Twaalf Verhalen en een Revolutie (Uitgeverij Marmer, 2017), en de tweetalige dichtbundel Gerard Fieret. Los hombrecitos hasselblad (kriller71, 2019). In september 2019 verscheen bij In de Knipscheer haar vertaling van Carlos Aguilera´s theatermonoloog Speech van de dode moeder.