thema:

Witte plekken

Vertaling:

Even na middernacht werd Agáta badend in het zweet wakker. Ze trok haar schoenen aan, ging voor het huis staan en luisterde een moment of ze wat op de binnenplaats hoorde. Toen ze niets hoorde, ging ze het huis weer binnen. In de vroege ochtend droomde ze van een pad naar een onbekende plek. Ook droomde ze van mooie landkaarten zoals ze die nog nooit in haar handen had gehad, en ze droomde van navigatieapparatuur waarvan ze de naam niet wist, maar die haar hielpen om zich te oriënteren in haar dromen. Deze toestellen waren zo piepklein dat ze op mechanische horloges leken; wieltjes, pijltjes en verschillende indicatoren gleden stilletjes en zonder zichtbare energiebron over metalen plaatjes en lieten richting en aanbevolen loopsnelheid zien. De vrouw had dit navigatieachtige apparaat om haar nek hangen, in de ene hand hield ze een astrolabium, de gedetailleerde kaart in de andere en enkele tikkende horloges en een stil kompas zaten in de zak van haar hemd. De apparaten waren zwaar ondanks hun formaat, en hoe langer ze liep, hoe meer ze tot last waren. Ze waren prachtig afgewerkt, op het oppervlak van de plaatjes waren markeringen, dieren van de dierenriem en een dicht net van lijnen en letters gegraveerd die ze niet begreep als ze ze elk afzonderlijk bekeek.
De kaart werd steeds groter en na iedere kilometer moest hij opnieuw in tweeën worden gevouwen, opdat de onderkant niet over de grond schuurde. Aan het begin had ze de kaart achter haar broekriem gestopt maar toen de kaart zo groot geworden was dat hij van achter haar riem uitgroeide, hield ze hem onder haar oksel of in haar hand. Op een kruispunt vouwde ze hem steeds uit. De kaart was zo gedetailleerd dat ze er eten mee kon kiezen uit de menukaart van een wegrestaurant en in het begin was hij zo overduidelijk dat ze geen legenda nodig had. Maar na een uur of vijf uur lopen was de kaart zo groot geworden dat hij als een bundel op haar hoofd moest worden gedragen en alleen in een veld of op een plein kon worden uitgespreid. In de vroege ochtend moest de vrouw het astrolabium weggooien en de horloges en het kompas uit haar zakken schudden omdat die haar tegen de grond drukten en tegelijkertijd ontdekte ze dat de kaart zo gedetailleerd en onbegrijpelijk was geworden dat ze haar deed denken aan naaipatronen uit een tijdschrift die niet zonder de juiste uitleg of met voldoende afstand konden worden begrepen. Toen ze zich ervan bewust werd dat de kaart vanwege zijn afmetingen waardeloos was geworden, werd ze wakker en ging naar de keuken om wat water te drinken. Ze keek naar de canapee waar haar zoon had moeten liggen en ze vond het moeilijk om zich ervan te vergewissen dat hij daar echt lag zoals ze dat wilde. Ze deed het licht aan en haalde een fotoalbum tevoorschijn. Ze keek er eventjes in, deed het weer dicht en ging in bed liggen.
Ze vervolgde haar weg die haar dorst had onderbroken. Ze liep over de randen van de kaart, die al enkele tientallen vierkante meters besloeg, en waar de kaart het pad bedekte, realiseerde ze zich dat de schaal van de kaart vrijwel 1:1 was. Er waren witte, gebroken strepen en stenen op te zien, zeldzame planten die prachtig met Latijnse namen werden benoemd en sporen van dieren en mensen die langs het pad liepen. Het lukte haar om de kaart enigszins op te vouwen, en toen ze hem een paar kilometer verder weer uitvouwde, ontdekte ze dat de kaart zich weer aan het terrein waarop het lag had aangepast en enigszins schematisch maar getrouw de onderliggende objecten kopieerde. De vrouw liet in de droom de kaart schuin over het pad liggen en ging zonder verder. Waar ze op de kaart had gestapt, bleven haar sporen voor altijd liggen.
’s Ochtends vroeg ontmoette ze bij een spoorwegovergang twee kleine kinderen, een jongen en een iets ouder meisje, die haar zwijgend de richting aanwezen waarheen ze haar weg moest vervolgen. De kinderen leunden tegen de openstaande slagbomen en hun fietsen hadden ze op het gras naast de weg gegooid. En zo liep ze over de spoorrails, maar ze liep met grote moeite omdat de afstand tussen de dwarsliggers te klein was en ze korte passen moest maken waar ze niet aan was gewend. Rond het spoor groeide het gras hoog en daarom zat er voor haar niets anders op dan sprongetjes te maken van dwarsligger op dwarsligger.  Toen ze de eerste keer omkeek, zag ze hoe de slagbomen langzaam daalden, en bij de tweede keer zaten de kinderen schrijlings op de gesloten slagbomen en met hun vingers wezen ze haar de richting aan. Ze liep alsmaar verder en verder, zonder te weten waarheen, tot ze door het licht werd gewekt.

Het was een lange droom, de beelden waren helder en duidelijk maar onbegrijpelijk, en in de kern ervan bleef de angst en de drang om te lopen.

Agáta ging direct diezelfde dag op pad. Nog voordat ze een steen tegen de poort rolde om er zeker van te zijn dat die niet kon opengaan, haalde ze vanuit de kelder en van zolder alles wat ze kon tillen, en legde dat op elkaar tegen het hek. Over het vochtige gras sleepte ze metalen platen en houtblokken die aan de achtermuur van het huis aan het rotten waren, lege flessen en keukenafval en alles stapelde ze op elkaar – tot haar terugkeer zal deze heuvel het graf beschermen tegen scharrelende vogels, aardverschuivingen voor als het hevig zou gaan regenen en tegen de politie.

Daarna verwarmde ze water in een grote pan en waste ze zich grondig in het schuurtje. Ze trok schoon ondergoed aan, panty’s en de rok waarmee ze gewoonlijk naar de kerk ging en haar beste trui. Voor het eerst na lange tijd maakte ze alleen voor zichzelf ontbijt klaar en sprak ze niet met David, die haar tot dan denkbeeldig gezelschap had gehouden. De maskerade was voorbij.
Van de haak achter de deur haalde ze haar kunstleren handtas en veegde er met een vochtige doek stof vanaf. Ze legde er niet meer dan wat zakdoekjes in, een uit een schrift gescheurde bladzijde met een foto, geld en een rozenkrans. Ze stopte haar papieren tussen de balken, bang als ze was om ze te verliezen. Het schrift begroef ze in de afgekoelde as van de kachel. Ze voelde zich ietwat nerveus en beschaamd dat ze zich zo makkelijk liet beïnvloeden door een droom, die ze niet eens kon uitleggen of zelfs niet met exacte woorden kon omschrijven. Aangezien ze eerder ouderbijeenkomsten, alle uitnodigingen en oproepen van haar voormalige kennissen, van winkelketens en de meest uiteenlopende verenigingen had genegeerd, ja zelfs alles wat zich buiten haar huis en nabije omgeving afspeelde, was haar besluit om zich op pad te begeven moeilijk uit te leggen, en omdat ze niet eens wist hoe ze zich in vreemde steden moest oriënteren, was het zelfs behoorlijk moedig. Haar handen trilden enigszins, maar verder voelde ze zich goed, zelfs beter dan de vorige avond. Ze schudde apathie en vermoeidheid van zich af en zei tegen zichzelf dat ze een tochtje ging maken, een eindje door het land zou trekken, wat frisse meilucht inademen en bij die gelegenheid haar zoon ging opzoeken. Net zoals andere moeders dat doen. Niets ongebruikelijks.

Over de auteur:

Monika Kompaníková (1979, Považská Bystrica) studeerde grafiek en schilderen aan de Kunstacademie van Bratislava. Zij debuteerde in 2003 met een verhalenbundel. Daarna verscheen de novelle Biele miestaWitte plekken (2006), een verdere uitwerking van een verhaal in deze bundel. Kompaníková is ook kinderboekenschrijver. Ze won verschillende literaire prijzen, onder meer de prestigieuze prijs Anasoft Litera 2011 voor haar roman Piata loďHet vijfde schip (2011), die in 2015 werd verfilmd als She Is a Harbour. De roman verscheen in Tsjechië, Duitsland en Egypte en verschijnt in 2016 in Polen, Hongarije en Bulgarije. Ander werk van haar is in een tiental talen vertaald. Kompaníková woont in Pezinok en werkt in Bratislava in boekhandel Artforum. Foto auteur: Ľuboš Pilc pre Pravdu

Over de vertaler:

Abram Muller (1963, Oegstgeest) studeerde Slavische Talen en Ruslandkunde. Hij woonde van 1990 tot 2012 in Slowakije, waar hij onder meer het hoofdvak neerlandistiek oprichtte aan de Comenius Universiteit van Bratislava. Sindsdien werkt hij als reisleider, tolk en vertaler. Hij publiceert regelmatig over Slowakije, zoals de landengids Slowakije in de Dominicusreeks (derde druk 2018). Literaire vertalingen van hem uit het Slowaaks zijn verschenen bij Uitgeverij Douane in Rotterdam.