Wunderkind

Vertaling:

‘Ik geloof dat ik zo geboren ben, een vroegrijp genie, een Wunderkind’

Vladimir Nabokov

 

De val van een zilveren regendruppel maakte hem tot dichter. Het was de zomer van 1914 en hij bespeurde – ook al was hij pas vijftien – de voortekenen van oorlog in de warme Russische lucht. De mensen waren gespannen, op van de zenuwen. Zijn eigen vader, vaandrig bij de reserves van de nationale infanterie, zat dertig kilometer verder naar het zuiden vast in Sint-Petersburg en wachtte op orders. Zijn moeder was doodongerust en verloor al een paar weken de telefoon niet uit het oog. Vladimir had behoefte aan een veilige haven. En dus ontsnapte hij met een paar boeken onder zijn arm en zocht de rust op van het oude park van Wyra.

In Wyra brachten ze de zomers door; in de herfst reisde het gezin naar de kusten van Zuid-Europa om de vochtige hoofdstad te ontvluchten. Maar elke zomer wist de kleine Vladimir zich omringd door de bossen en velden van Wyra, met zijn palet van dorre bladeren verspreid over roodbruin zand, de immense tuinen van het landgoed dat er altijd koel en gezellig en pas geverfd in zacht bleekgroen bij lag.

 

Ze zeggen dat vrijmetselaars of joden, ik weet niet meer precies welke van de twee, de schedels trepaneerden van mensen die hun geheimen onthulden. Mooi woord, trepaneren. Zo voel ik me, getrepaneerd, al is mijn enige misdaad het verspreiden van verzinsels.

Het is vier uur ’s nachts. Dit manuscript is als een kwelgeest. Ik kan aan niets anders denken, en doe geen oog dicht. Ik slaap hooguit een paar uur per nacht. Ik ben bang dat ik ziek word; ik eet slecht en kom amper het huis uit. Als ik niet aan het lezen ben over de wording van een schrijver, schrijf ik erover, of zit ik met andere schrijvers aan de telefoon of teken ik mijn onzekerheden op in een soort biecht die anderen ‘dagboek’ zouden noemen, maar dat niet eens is. Mijn vrienden zijn al afgehaakt; als ik dit stadium eenmaal heb bereikt weten ze dat ze me niet meer zien tot mijn boek af is, tot mijn obsessie uitgewoed is. Ik wil het afmaken. Het moet af.

Vlak voor me hangt een briefje aan een punaise. Het hangt tussen een foto van André Kertesz die Vila-Matas opstuurde (Ik weet eigenlijk niet waarom ik hem opstuur, misschien omdat ik weet dat je hem niet in je boek kunt opnemen. Of nee. Nu ik er nog eens over nadenk, weet ik echt niet waarom ik hem opstuur. Misschien doe ik hetzelfde als jij, wanneer je je afvraagt waarom je schrijft en vreest het nooit te zullen begrijpen en gaat graven…) en een grappige spotprent die mijn vriend Tasso Hadjidodou ooit op een servetje tekende. Op het briefje staat alleen een uitspraak van Raymond Carver: I’ve got a book to finish. I’m a lucky man. Of ik het met hem eens ben weet ik niet, ik denk trouwens van niet, maar de hoopvolle toon heeft me altijd aangesproken.

Ik daarentegen voel me verdrietig en opgetogen tegelijk, net als Hemingway. Ik zou een moord doen voor een sigaret op dit veel te stille, veel te eenzame uur, maar ik heb er niet één meer. Het relaas van Nabokov zelf over die transcendentale regendruppel in zijn autobiografie Geheugen, spreek heb ik al een paar keer herlezen. Hoe moet ik nou verder met zo’n spontaan voorval? Misschien moet ik op zoek naar Brian Boyds lijvige biografie van Nabokov om zo een paar hiaten te dichten. Ik had niet gedacht dat ik die nodig zou hebben, ik had immers toegang tot de stem van de auteur zelf, maar er is iets in Nabokovs versie wat nog steeds onaf is en me niet loslaat.

Trouwens. Nu ik het herlees, weet ik niet of ik het fragment dat ik over Pablo Neruda’s eerste gedicht geschreven heb wel zo goed vind. Ergens vertelt hij een eerdere anekdote die wellicht nog priller en literairder is. Een jongen uit zijn klas was smoorverliefd op de dochter van de smid en vroeg Pablo om liefdesbrieven voor hem te schrijven. Neruda zegt dat dat misschien wel zijn eerste literaire werken zijn geweest. (En toen, mijnheer Neruda?) Het meisje had al snel door dat het eigenlijk Pablo was die de brieven geschreven had en stuurde hem een kweepeer. Die bewaarde hij alsof het een schat was. De brieven bleven komen, net als de kweeperen.

 

Vladimir zat op een bank in het park gedichten van Poesjkin te lezen toen het begon te gieten. Keihard. Ineens. De dreigende wolken die stilletjes boven hem waren komen hangen had hij niet opgemerkt: de modulaties van de Poesjkiniaanse muziek hadden altijd een hypnotiserende werking op hem.

Snel liep hij naar een groot paviljoen. Poesjkin werd kletsnat. Op het pad lagen al plassen. Terwijl hij eroverheen sprong bedacht hij dat de woorden pavillon en papillon niet alleen rijmden, maar ook etymologisch verwant waren. Hij glimlachte.

Het paviljoen, een majestueuze houten constructie, stond al jaren leeg. Van de glas-in-loodramen waren er een paar kapot. De vloer was bedekt met dorre bladeren. Binnen trof Vladimir alleen een klaptafel aan die tegen een afgebladderde witte muur stond en waarop een paar zinnen waren gekrabbeld. Masha was hier. Tamara houdt van Ivan. Weg met Oostenrijk. Bij een raam waar geen glas meer in zat veegde hij wat bladeren opzij. Voorzichtig ging hij naast een dode libel zitten.

Opnieuw in vervoering door Poesjkin  merkte hij niet dat de storm inmiddels was gaan liggen, dat dampende stukken blauw steeds weidser gaapten en aan de horizon een regenboog doorbrak.

Hij keek naar boven.

Nu was het volledig windstil en Vladimir zag hoe de punt van een klein groen blaadje doorboog onder het gewicht van een weelderig flonkerende regendruppel, die glansde als vloeibaar metaal. Stilte. Hij zag het zilveren bolletje langzaam over de middennerf van het blad naar beneden glijden. Rust. En toen, op datzelfde moment dat hem eerder een kloof in de tijd toescheen, zag hij de statige druppel vallen, waarop het blad, verlost van dat enorme gewicht, met ritmische bewegingen terugveerde naar zijn oorspronkelijke positie.

Toen ineens een windvlaag, en hij hoorde een melodieuze roffel van rijmen uit de bomen druppelen.

 

Ik zit na te denken over de problemen waar een schrijver op stuit als hij in een nieuwe taal gaat schrijven, zoals Nabokov in feite gedaan heeft met het Engels. Vraag: kan de beslissing over te stappen op een vreemde taal de wording van een schrijver betekenen?

Joseph Conrad, misschien wel het bekendste voorbeeld van een schrijver die zijn moedertaal opgaf, schreef dat hij altijd het gevoel had dat hij gezien werd als een soort fenomeen, een kwalificatie die je, behalve in het circus, niet als begerenswaardig kunt beschouwen. Conrad gaf toe dat hij zelf zijn vermogen om in het Engels te schrijven als iets eigens zag, iets aangeborens, nooit als het resultaat van een beslissing. Als hij niet in het Engels geschreven had, pochte hij, had hij nooit één woord geschreven.

Een interessanter geval, wist mijn collega (vreselijk woord, volgens Bolaño) en vriend José Luis Perdomo me een paar dagen geleden te vertellen, is dat van Stephen Vizinczey. Hij was vierentwintig toen de Hongaarse opstand werd neergeslagen en hij naar Canada vluchtte. Hij sprak nog geen vijftig woorden Engels. Toen hij besefte dat hij nu een schrijver zonder taal was, ging hij naar de bovenste verdieping van een gebouw in Dorchester Street met de bedoeling zich in de diepte te storten. Om met zijn eigen woorden te spreken: Toen ik vanaf het dak naar beneden keek, doodsbang om te sterven, maar nog banger om mijn rug te breken en de rest van mijn leven in een rolstoel te moeten zitten, besloot ik een Engelse schrijver te worden.

Een nieuwe taal als grondslag van het schrijverschap? Bij Stephen Vizinczey zeker. Van hem, zo schreef Anthony Burgess, kunnen de Engelsen Engels leren schrijven.

 

Terwijl hij op weg naar huis over de plassen op het pad sprong, stelde Vladimir vast dat alles in het park ongelooflijk snel opdroogde. Na de tropische plensbui was de hitte teruggekeerd. Bij iedere windvlaag druppelden restjes regen over hem heen. Al had de kortstondige kloof in de tijd zich weer gesloten, hij hoorde nog steeds het vreemde getrommel van rijmen, strofes en verzen die uit de bomen vielen en rond zijn geest neerspatten Toen hij tijdens zijn spel met combinaties en kakofonieën besefte dat hij een gedicht aan het maken was, huiverde hij.

‘Goedemiddag, Volodya’. Hij was zo druk mogelijke woorden aan het neuriën dat hij niet gezien had dat de schooldirecteur op hem af kwam lopen.

Vladimir gaf hem een hand en voelde dat die van de directeur zoals altijd klam en zweterig was. Glimlachend informeerde de directeur naar zijn vader: Vladimir vond het fijn als mensen naar zijn vader vroegen. Terwijl de directeur met een muizenstemmetje tegen hem stond te praten, zag hij de bos verwelkte bloemen in diens handen. Zijn lange, wapperende stropdas. De zwarte mee-eters die op zijn vlezige, krullende neusvleugels prijkten. Tegelijkertijd dacht hij aan het schooltje in Wyra, aan de afbeeldingen van bebaarde Russische schrijvers die in de klaslokalen hingen; hij voelde het gewicht van Poesjkin in zijn hand, hij proefde de zanderige smaak van de grashalm waar hij op kauwde, herinnerde zich ineens het getik van een schredenteller die hij was kwijtgeraakt, en intussen bleef het gedicht rondzweven in zijn hoofd.

Terwijl hij afscheid nam van de directeur – die hem enthousiast groette met de karakteristieke buiging van een Russische radicaal – , begreep Vladimir dat een dichter het vermogen moet bezitten aan verscheidene dingen tegelijk te denken.

Hij vatte de draad van het gedicht weer op en vervolgde zijn weg. Het leek alsof de woorden die hij aan elkaar had geregen een beetje van hun glans verloren hadden na de onderbreking, even vermoedde hij dat zijn verzen slechts imitatie waren; maar dat kritisch besef verdween weer en het dichterlijke vuur omvatte hem opnieuw als in een stevige omhelzing.

Langzaam brachten de woorden hem in een soort trance. Hij was niet verbaasd toen hij plotseling in de oude leren fauteuil in de studeerkamer van zijn grootvader zat, hij rook de geur van zijn grootvader, hoorde de klanken van een groot orgel, en comfortabel, bijna als bevroren, hing hij in de leunstoel, één arm bungelend boven de figuurtjes in het tapijt, waterlelies in een vijver, en de grammofoon in huis speelde imitaties van zigeunerliederen, het volgende moment zat hij op een gammele steiger aan die vijver, met zijn vingertoppen roerde hij door de bladeren op het water, rond en rond gingen de natte bladeren, zijn natte vingers die ineens weer droog waren raakten de grond vanaf een bank, hij lag op een oude bank in het park, boven zich zag hij de wirwar van takken, de doolhof van takken en bladeren en de zon op zijn gezicht, een dikke tak onder zijn buik, plots lag hij bovenin een boom, half in slaap gesust door het zingen van de krekels, en zwom met zijn armen in de zoele avondlucht. De stilte keerde terug en zijn eerste gedicht, met leestekens en al, was in zijn hoofd al af.

 

Volgens Balzac zijn de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van een schrijver zijn boeken. Niet de invloed van ouders, grootouders of kinderen, geleden pijn, of traumatische ervaringen op het gebied van liefde en haat, niet de enorme hoeveelheid boeken die hij had gelezen, niet zijn reizen naar Parijs en Barcelona, niet al die romantische literaire vriendschappen die hij onderhield met behulp van brieven en flessen wijn en een stroom van goedkope vleierijen. Nee: de boeken die hij schreef. Punt.

 

Op één lamp na, in het raam op de tweede verdieping, brandde er nergens meer licht toen Vladimir terugkwam. De nachtwaker liet hem binnen. Langzaam, om de rangschikking van de woorden in zijn hoofd niet te verstoren, liep hij de trap op.

Zijn moeder zat op dezelfde plek als een paar uur geleden: op de stoel bij de telefoon. Op haar schoot lagen de krant van Sint Petersburg – de Retsj – en de London Times. Vladimir gaf haar twee kussen. Hij vroeg haar te luisteren. Nadat hij tegenover haar op een krukje was gaan zitten, kuchte hij een paar keer voor het dramatisch effect en begon voor te dragen.

Hij bezong het branden van herinneringen als de muziek van een groot orgel. Vol vuur declameerde hij over het verlies van zijn mooie geliefde, die hij nooit ontmoet, nooit bemind, nooit verloren had. Zijn blik hield hij strak op de muur gericht, op de daguerreotypen in ovale lijsten, een kleine aquarel van Somov, een olieverfschilderij van de herfst in Versailles van Alexandre Benois, een krijttekening die zijn moeders moeder had gemaakt als meisje. Hij was al bijna aan het einde toen hij in de verte een zucht hoorde. Het was duidelijk dat hij bijna alle modulaties had geleend, van Poesjkin, van Tjoettsjev, van Fet. Maar het waren zíjn woorden, het was zijn gedicht; en hij keek zijn moeder aan.

‘Prachtig, schitterend’ zei ze snikkend, door haar tranen heen. Ze gaf haar zoon een spiegel zodat hij het bloed op zijn wang kon zien, want zonder het te merken had hij tijdens het declameren een mug doodgeslagen. Vladimir hield de spiegel voor zijn gezicht. Maar hij zag veel meer dan dat.

 

Alles wat hierboven staat is verzonnen. Een paar dagen geleden kwam met de post het eerste deel – The Russian Years – van Brian Boyds biografie over Vladimir Nabokov. Opgewonden begon ik te lezen, benieuwd naar wat er over de plensbui in het park van Wyra stond, over het moment dat hem inspireerde tot zijn eerste gedicht en het begin was van een briljante toekomst in de literatuur. Op bladzijde 107 stelt de heer Boyd echter dat wat Nabokov zelf in zijn memoires vertelt, neerkomt op wat Boyd noemt een ‘nogal gestileerde versie van de oorspronkelijke gebeurtenis’.

Ten eerste was het niet zijn eerste gedicht. Nabokov schreef al vijf jaar gedichten in drie verschillende talen. Ten tweede schreef hij het door hemzelf genoemde gedicht, ‘De regen vloog weg’, niet aan het begin van de oorlog in 1914, maar in 1917, honderden gedichten later, en het luidt deels zo: ‘De regen vloog weg, brandde op in zijn vlucht./Ik loop op het rode zand van een pad./Naar onderen buigt de punt van een blad/en van de punt valt een parel.’

Of Nabokov deze twee herinneringen met opzet door elkaar haalde zullen we nooit weten, en eigenlijk maakt het niet uit. Het is maar literatuur. De werkelijkheid, zei Sergio Ramírez ooit tegen me, en hij citeerde een Alexandre Dumas, ik weet niet meer welke van de twee, de werkelijkheid, zei hij, is slechts de spijker waaraan je de literatuur ophangt.

Nog een Fransman, Stendhal: Ik heb geen enkele herinnering. Dat is een van de grote manco’s van mijn geest: ik kan eindeloos piekeren over iets wat me interesseert, en doordat ik er vanuit verschillende invalshoeken naar kijk, zie ik er uiteindelijk iets nieuws in en neemt het een compleet andere vorm aan. Ik trek mijn kijker naar alle kanten uit, of schuif hem weer in elkaar.

Enfin. Ik geloof dat al dat in en uit elkaar schuiven van Nabokovs geheugen bevestigt dat deze fragmentarische tekst nu een meelijwekkend einde nadert. En al het andere is gelogen.

 

lees hier de Inleiding op ‘Wunderkind’ door Lisa Thunnissen

Over de auteur:

Eduardo Halfon (1971), schrijver. Recente publicaties: El boxeador polaco (2008), La pirueta (2010), Mañana nunca lo hablamos (2011), Elocuencias de un tartamudo (2012).

Over de vertaler:

Lisa Thunnissen (1984) vertaalt uit het Spaans, met name auteurs uit Latijns-Amerika. Haar eerste boekvertaling, De cowboykampioen van Aura Xilonen, werd genomineerd voor de Filter Vertaalprijs in 2018. Daarnaast vertaalde ze werk van o.a. Eduardo Halfon en Juan Villoro (proza) en Raúl Zurita (poëzie) voor Tijdschrift Terras, Filter, tijdschrift over vertalen, en het Poetry International Festival, evenals een aantal Cubaanse verhalen voor de bloemlezing Twaalf verhalen en een Revolutie. In 2019 verschijnt haar vertaling van een roman van Halfon bij de Wereldbibliotheek.