thema:

Een tocht door de catacomben

Vertaling:

[…]

Het was een vochtige, nevelige novembermiddag toen we, met z’n vijven, op de
natte straatstenen van het St. Stephansplein bijeenkwamen – aan de achterzijde van de kerk, waar de toren oprijst. Een vriend had beloofd ons rond te leiden in de
catacomben. Terwijl we op hem wachtten, stonden we te lachen en grapjes te maken en te schamperen op het droefgeestige weer en het gebrek aan stiptheid van de
vriend; maar een uur later was het helemaal anders: nooit zal ik de indruk vergeten
die dat onderaardse verblijf van een uur in mij teweegbracht. Toen we een poos hadden gewacht, verscheen de vriend samen met twee gidsen, omdat hij, hoewel hij al vaker beneden was geweest, er toch niet zeker van was dat hij zichzelf en ons ervoor kon behoeden verloren te lopen. Afdalen deed je niet van de kerk uit, zoals ik dacht, maar een van de gidsen wenkte ons naar een huis op het plein dat met een hoek naar voren springt en zowel woonvertrekken als winkels bevat – het ligt met de hoek schuin tegenover de woning van de koster, die zich gelijkvloers in de Stephanstoren bevindt.
Bij dit huis deed hij een donkere zwarte hoge deur open, die ik wel honderd keer
voorbij was gelopen en altijd voor de toevallig gesloten helft van de poort van
een winkel had gehouden. Toen we naar binnen waren gegaan, bevonden we ons
in een smalle gang; de gids deed achter ons de deur weer op slot en de andere
liet licht branden; hij ontstak er een fakkel en wij ieder onze waskaars mee en toen
ging het niet langs een trap maar als over een zachte gang naar beneden; een zwak schijnsel daglicht viel het eerste gewelf binnen door een smalle schacht die uitkwam op het binnenplein van het huis van de Duitse ridderorde. Het gewelf was een soort voorportaal en er lagen stangen, stro, planken, draagbaren en zo meer in een hoek, die er allemaal vreemd en verouderd uitzagen.
Toen kwamen we in allerlei gangen en onderaardse gewelven die leeg waren. Zoals bij onze voorouders zijn de gangen smal en de gewelven betrekkelijk klein en laag, maar het metselwerk was vast en stevig, alsof het uit een enkel reusachtig blok graniet was gehouwen. Of we in die gangen naar het oosten of het westen, naar het noorden of het zuiden liepen, kon niemand van ons zeggen, en omdat de gangen elkaar vaak kruisten en de gewelfde cellen allemaal op elkaar leken, was het ons overduidelijk dat je hier kon verdwalen en urenlang kon zoeken zonder de uitgang te vinden. Eindelijk kwamen de eerste inwoners van deze stille duistere stad en wel: als hout opgestapeld, vele  vadems lang en hoog, niets anders dan botten van armen en voeten – er komt een vreemde rilling over je heen.
Wat zouden al die ledematen toen een denkende geest ze noch leven inblies, een liefhebbend of hatend gemoed ze prikkelde, aan moois, heerlijks of ontzettends
hebben gedaan? En nu liggen ze hier: star, opeengestapeld als een waardeloze
angstaanjagende massa. Op bepaalde afstanden, als het ware symmetrisch geschikt, steken tussen de botten koppen, maar ook op de grond slingeren al overblijfselen rond, en de zachte tred laat voelen dat je op molm loopt. Een gids maakte ons duidelijk dat men de veelal verstrooide beenderen van de catacomben en de eertijds op het Stephanskerkhof uitgegraven botten om orde te maken hier heeft opgetast.
Mijn fantasie kwam al op gang, opgeschrikt door wat ik te zien kreeg of terneergeslagen door het besef onder de aarde te zijn. Aan de lucht lag het niet, want ondanks de processen van ontbinding die hier hadden plaatsgevonden waren die toch al lang geleden en sindsdien is het zo droog geworden dat de lucht, door veel schachten in verbinding met de buitenlucht gebleven, helemaal droog en zuiver is. We lieten het licht van onze kaarsen en fakkels langs de grote stapel beenderen glijden en beschenen nu eens dit, dan weer een ander gedeelte, en het vale grijs van deze uitgedroogde oeroude gebeenten gloeide somber rood op in het  schijnsel van onze kaarsen die, ondanks de ogenschijnlijke kleinheid van deze vertrekken, niet tot de bovenste randen konden doordringen, zodat het schijnsel overging in onbehaaglijke geheimzinnige schaduwen die je hoog bovenaan en opzij in de hoeken aanstaarden. Als we dicht bij een wand kwamen, begon het gesteente van de muur in allerlei kleine fonkelingen te schitteren, waarschijnlijk de mooie glimmerschilfers van het graniet. Op de vloer lag een dikke laag molm, hier en daar een spaander en de voet raakte soms even een flard van een ooit kostbare en glanzende zijden stof.
We liepen verder in een kruisgang. Daar lag een schedel met lange stoffige haren. Iemand bescheen hem; ik moest onmiddellijk mijn ogen afwenden en er ging een vreemde huivering door mijn lichaam. ‘Laat die liggen,’ zei een gids, ‘we zullen er nog meer tegenkomen die beter bewaard zijn.’ En of we dat deden. Tegen een vierkante machtig grote pilaar stond een doodskist, als enige in dat gewelf, alsof hij opzettelijk van zijn plek hierheen was gebracht en was geopend en men hem dan daar had laten staan. Het deksel lag er werkelijk naast en tussen de planken, die zwart waren geworden van ouderdom en nog slechts los aan elkaar hingen, lag de voormalige bewoner van dit getimmerde huis, een vrouw – ach, wie was ze? met welke pracht en praal zou ze ooit zijn begraven? en in welke toestand ze er nu bij ligt! prijsgegeven aan de blik van iedere toeschouwer, laatdunkend neergezet op de naakte aarde en weerloos tegenover ruwe handen; gelaat en lichaam zijn prachtig bewaard – de ontbinding moet deze gesloten ruimten niet hebben kunnen binnendringen zodat de organische structuren enkel werden gedroogd maar niet vernietigd – je kunt de gelaatstrekken herkennen, de ledematen zijn er, maar het zedige omhulsel van het lichaam zit helemaal onder het stof en is stukgescheurd, slechts enkele smerige zwarte lappen liggen om de ledematen en bedekken die pover, aan een voet slobbert een zwarte zijden kous, de andere is bloot, het haar ligt er verward en stoffig bij, en flarden van een zwarte sluier glijden zijwaarts en plakken aaneen als een gevlochten touw – de uiteengereten kleding en de warboel, een soort liederlijkheid, toonden me de ontroerende hulpeloosheid van een dode zodat het in mijn hart sneed en het stak vreselijk af tegen de heiligheid van een lijk.
Ik legde met de punt van mijn stok de resten van de vast ooit prachtige kleding zo fatsoenlijk als het nog kon over het lichaam en scheen vervolgens de vergeten dode in het gezicht. Dat was in de doodsstrijd en door de erna in gang getreden natuurkrachten verwrongen en in deze positie, die voor de menselijke aanblik zo schokkend was, verstard. Zo bleef het, wie weet hoeveel honderden jaren, in onbehaaglijke rust een beeld van een ooit gewelddadige doodsstrijd die het zo innig geliefde leven van deze vormen had losgemaakt. En dit is nu juist het ontzettende aan lijken en mummies: dat ze meestal in hun ijzeren rust toch terugverwijzen naar een vreselijk bewogen moment – en verder ook dat we ze ons al aan de overzijde van dat gordijn moeten voorstellen dat zo geheimzinnig tussen het ondermaanse en het hiernamaals hangt, dat zij al weten hoe het is – en niettemin met hun verzegelde zwijgen daar voor onze ogen liggen, vreemde burgers van een andere wereld. Wie zou de dode voor mijn ogen – wie zou zij eertijds zijn geweest? Welk verschil mensen ook tijdens het leven maken, aan wat voor nietige glitter ze belang hechten, hoezeer ze zich zelfs inspannen om dat verschil over het graf heen te behouden: de dood maakt alles gelijk en voor hem zakt lachwekkend in elkaar wat wij hier beneden met grote inspanning belangrijk vinden.
Wie weet met welk aanzien en met welke kosten die dode het voor elkaar heeft gekregen ooit in deze onbedwingbare grafgewelven te mogen rusten, het toevluchtsoord van rijke en voorname lieden: en nu staat er een man voor haar die toen ze nog in leven was niet eens haar drempel had durven te naderen en legt – niet met zijn hand want dat vindt hij vies – maar met de punt van zijn stok enkele lappen op hun plaats zodat ze haar lijf bedekken, en wie weet verschijnt er niet gauw een kwaadwillige hand die haar uit de kist rukt en haar naakt en aan flarden daar op die hoop naamloze rottigheid gooit, waar iedereen die deze kelders bezoekt haar tevoorschijn trekt, beschijnt, omdraait en teruggooit. Met compassie wendde ik me af om verder te gaan. Toen merkte ik dat ik alleen was en de lichten van mijn vrienden al zwak in een gang verder zweefden. Met snelle passen volgde ik – iets als vrees overviel me.
‘Hier staan we precies onder het hoogaltaar van de kerk’, zei een gids en hij scheen met de fakkel omhoog naar het gewelf. We waren toevallig op dat moment allemaal stil en plotseling hoorden we duidelijk met lange zware klanken het orgel uit de kerk tot hier beneden klinken. Als bij afspraak bleven we staan en luisterden enkele ogenblikken aandachtig tot het orgel zweeg en dan weer met hogere en zachtere klanken inzette, die opvallend helder en liefelijk langs de gewelven op ons neerdaalden – het moest net namiddagmis zijn – en als een zachte gouden ladder, zo leek het me, kwamen die gedempte klanken van de geliefde levenden over ons neer. Tot slot verstomde alles en liepen we door. Hoe wonderlijk muziek toch inwerkt op onze ziel! Ik had enige tijd nodig om me weer te oriënteren waar ik was en mijn verbeelding opnieuw aan deze onderaardse vertrekken te laten wennen, en toch was het waarschijnlijk slechts het lied bij de zegening geweest dat we hier beneden hadden gehoord.
We kwamen nu weer een nieuw portaal in en toen ik om de hoek van de pijlerboog kwam en voor me heen scheen, schrok ik hevig. Een grote naakte man leunde roerloos tegen de muur; bij zijn voeten zat een andere gehurkt, de handen over de borst gevouwen en het hoofd, dat nog slechts los aan de hals hing, opzij gezakt over de schouder – een vrouw, stond gebukt in zichzelf verzonken, eveneens met gevouwen handen, in een hoek te loeren en tegen de muren leunden of zaten of lagen anderen – en terwijl ik zo voor me heen schijn, weer anderen en nog anderen – niets dan lijken en niets dan mummies, de een met open, de ander met vreselijk dichtgeknepen mond, de ene gestrekt, de ander in elkaar gehurkt, bijna allen met gevouwen handen zoals men ze in de doodskist heeft gelegd – allen met verwrongen gelaatstrekken; maar schrikbarend duidelijk waren de gezichten en lichaamsvormen, alsof ze hier pas gisteren geplaatst waren; – want door een mij onbekende oorzaak was hier geen ontbinding opgetreden, maar de huid was zacht opgedroogd en voelde aan als gelooid leer, ook het celweefsel van het vlees was uitgedroogd en vulde de huid als ingestopt zaagsel zodat zelfs de spieren elastisch bleven, meegaven met de druk van onze stokken en weer lichtjes opzwollen als de druk verminderde.
Het was een vreemd en spookachtig gezicht in dit portaal, overweldigend voor gevoel en fantasie. Molm hoopte zich op tegen de muren van het gewelf; er staken flarden van kleren uit, soms houtspaanders of er kwam een arm tevoorschijn of een voet met alle tenen, of een ineengekrompen gedaante zat erbovenop, weer anderen stonden overeind en hoewel ze ooit ongedeerd waren geweest en dat van nature konden blijven, had moedwil hun behoorlijk wat aangedaan; velen van hen waren uiteengereten zodat een arm loshing of het hoofd of de ledematen volledig ontbraken – misschien heeft ook gedeeltelijke ontbinding het hare gedaan. –
Hoe vreemd dit is: de lichamen zijn gebleven en de kleren zijn bijna volledig verpulverd en vermolmd! Slechts waar ze door puinstof waren beschermd, zijn hele lappen bewaard gebleven die zelfs herkenbaar waren, meestal linnen en zijdewerk, waarvan het laatste bijzonder sterk en hecht was geweven.
Toen we daar zo stonden in die bijeenkomst van al lang gestorven onbekende mensen, die hier eeuwen geleden naartoe werden gebracht om te ontbinden en die nu hun achterkleinkinderen dezelfde gelaatstrekken moesten tonen die men ooit uit ontzetting met een doek had bedekt en in een doodkist had verborgen – en naarmate het zuiver witte kaarslicht of de donkerrode gloed van de fakkels die we droegen over de gezichten en ledematen van de doden gleed en daar hevige strijd of starre rust of lelijk gegrijns liet zien, waren we allen tot diep in ons binnenste geschokt.
Het kwam me voor of ik in een fabelachtig gebied van de dood was verzeild, in een heel ander gebied dan we bij leven ervaren, een gebied waar alles met geweld wordt vernield wat we in het leven gewoonlijk met schroom en ontzag bekijken – waar het hoogste en heiligste van deze aarde, de menselijke gedaante, een waardeloos ding wordt, bij het afval gegooid om er tussen de overige troep te liggen. – Och! wat een vreselijke, monsterlijke macht moet het zijn waaraan we zijn overgeleverd zodat die over ons kan heersen – – en hoe reusachtig moeten het plan en doel van die macht zijn dat ze heel ons denken vernietigen! Miljoenen keren gaat een kunstwerk voor haar te gronde dat zijzelf met zoveel liefde heeft gebouwd, alsof die ondergang niets voor haar betekent! – Of schept die macht er genoegen in als in een eentonige kringloop steeds hetzelfde voort te brengen en te vernietigen? – het zou afschuwelijk absurd zijn!
Midden in het rijk van vernietiging alom vonkte een sterke overtuiging van onsterfelijkheid door me heen. We stonden allen te zwijgen en lieten onze fakkels en kaarsen flakkeren. De indruk is zo sterk, zo nieuw en ernstig; hij overweldigt ons hele wezen zodat al het andere van ons afglijdt en door de macht ervan nietig wordt. – Ik was zo buiten mezelf dat het geratel van een kar die we op dat moment boven ons op de straatstenen hoorden, ons heel avontuurlijk leek, door de tegenstelling zelfs griezelig. Is het wel de moeite waard, dacht ik, dat wie daarboven op de wagen zit zich belangrijk voelt en over de straat dendert? Dat ze huizen bouwen en bonte lappen uithangen alsof het wat voorstelt?
We vroegen de gids of men dan helemaal niet meer weet wie een van hen mag zijn geweest die daar voor ons liggen? ‘Misschien is in het parochiearchief wel te vinden’, antwoordde hij, ‘wie hier beneden is begraven, maar omdat het al meer dan honderd jaar geleden kan zijn dat hieronder niemand meer werd begraven, kun je ook volstrekt niet meer weten wie deze of gene is. Ooit hebben zij veel moeite gedaan om in de crypte van St. Stephan te worden begraven om toch maar een voornaam en ongestoord begraafplekje te hebben.’
Een voornaam en ongestoord begraafplekje! alsof er ook maar ergens op aarde iets ongestoords en onvergankelijks bestaat! Is onze planeet uiteindelijk niet zelf vergankelijk en wordt hij niet net zo goed een lijk als degenen die men nu zo zorgzaam in zijn ingewanden verstopt?
Ik moest denken aan de sage van de koning der Hunnen, Attila, wiens lijk men in een gouden kist deed, de gouden in een zilveren, die in een ijzeren en die tot slot in een stenen. Toen groef men een rivier af, liet de doodkisten diep in de aarde van de bedding zakken en dan de wateren er weer overheen stromen – uiteindelijk doodde men zelfs hen die ervan op de hoogte waren en eraan meewerkten, opdat geen mens op aarde zou weten waar het graf van de koning der Hunnen was!! – maar op een dag zal de rivier het zand en het slijk bij een overstroming naar buiten duwen of er zal een stuwdam worden aangelegd of de rivier zal van loop veranderen en men zal in de oude bedding een veld of een tuin graven: op die dag zal men de kist vinden, het goud en zilver stelen maar de koning wegwerpen op de grasweide bij de heide.
En zo gaat het met elke roem; er is voor ons stervelingen immers geen plek in dit universum die bestendig genoeg is dat je er beroemd kunt worden; de aarde zelf is vanaf de naburige zonnen niet meer te zien, al hadden ze telescopen die tienduizend keer meer vergroten dan die van ons. En wanneer in de nacht waarin onze aarde ophoudt te bestaan een bewoner van Sirius naar de mooie sterrenhemel kijkt, weet hij niet dat er een ster minder is. Zelfs al had hij ze ooit allemaal geteld en in kaart gebracht en hij telt ze vandaag opnieuw, dan, nog ontbreekt er geen enkele en flonkert de hemelt even prachtig als altijd boven zijn hoofd. En duizend melkwegen voorbij Sirius weten ze ook van de ondergang van die ster niets, ze hebben zelfs geen flauw vermoeden van onze hele sterrenhemel; niet eens een nevelvlek, niet eens een troebel lichtend stipje verschijnt in hun telescoop wanneer ze er hun nachtelijke hemel mee doorzoeken.
Terwijl ik dat dacht, ratelde boven ons weer een kar over het plaveisel van het Stephansplein en dat leek me even onbeduidend of belangrijk als de wereldgeschiedenis der muggen of eendagsvliegen.
We beschenen nog een keer de roerloze spookachtige bijeenkomst in de rondte en keerden dan om door te lopen; ze verzonken achter onze wijkende kaarsen weer in hun oude rust, in hun oude nacht.
Steeds verder, steeds ingewikkelder en ruimer ontvouwde zich deze stad van grafkelders: steeds nieuwe doden kon je er aantreffen; resten van doodkisten, heuvels en wallen van dorre molm, dan weer botten, lege gewelven en gangen – en hoever dit zich allemaal uitstrekte weet men nu nog niet zeker; in menig vertrek zie je in de muur een stenen boog, stevig en kunstig gevoegd, om iets te stutten of om eronderdoor te kunnen lopen zoals die waardoor we net binnen waren gekomen. Maar deze luchtboog is dichtgemetseld zodat je gaat vermoeden dat erachter weer een gewelf is dat ze hebben dichtgemetseld toen het vol met doden zat. –
En inderdaad kwamen we nu bij een plek waar men een blinde muur had doorgeslagen en kijk: uit de bres staken onnoemelijk veel doodkisten, wel een vadem hoog opeengestapeld, met vreselijke restanten en spaanders die uit het duister van het gewelf opdoemden – de tijd had planken en voegen losgewrikt zodat een warboel omlaag was gegleden en daar lag, en boven in de opening blote voeten en ledematen van de doden in de lucht staken, aan hun lot overgelaten door de beschermende en bergende wand van hun doodkisten, die al evenzeer waren bestemd om van de hangende planken naar voren te glijden en ten slotte net als de andere op de grond te vallen. De aanblik was nog ontzettender dan die in het gewelf van de mummies, omdat hij directer het rijk van ontbinding en vernietiging blootlegde en dichter lag bij de tijd waarin al deze mensen nog rondliepen en leefden, omdat hij indringender toonde hoe ook wij eens zouden worden en omdat het werk van vergaan en vernietigen meteen massaler en imposanter was te zien. Ook een opeengestapelde hoeveelheid kinderkistjes zagen we tevoorschijn komen, een opeengegooide stapel huisjes waarvan de bewoners stierven voordat ze leefden. Onnoemelijk deugd deed het dat je uit die doodkisten geen enkel van de tere ledematen zag steken, maar ze allemaal aan het oog onttrokken werden, waarschijnlijk doordat hun geringe gewicht niet in staat was de doodkistjes uit hun voegen te doen barsten. Arme kleine wereld!
Het was een sombere grootse aanblik toen we daar zo voor de starre wirwar van ruïnes stonden en het lichtschijnsel van onze fakkels glansde op het graniet van de muur en op de oude bruine planken van de doodkisten – en toen verder achter ons tussen de resten van de planken duisternis naar buiten staarde en onze fantasie zich erachter dezelfde bevolking van doden moest voorstellen, steeds voortgezet en steeds voortgezet – liggend in de onverbiddelijke nacht, tot ook die vooraan tot stof zijn vergaan en weer een andere eeuw en een andere hand het dieper gelegen gewelf openbreekt en de slapers in het licht van de fakkels blootlegt, zoals zij die nu in het licht van onze fakkels glanzen.
Het was zonneklaar dat dit systeem van gewelven, hoe ver het ook mocht reiken, toch een keer moest worden aangevuld, tot de dag waarop de grafkelders van de Stephansdom voorgoed dichtgingen – dat het alleen de machtigste en de rijkste mensen kunnen zijn die we daar in die rommel en smadelijke verlatenheid zagen liggen, en dat contrast maakte de scène nog tragischer en al de flikkering waar we anderen om plegen te benijden nog erbarmelijker. Zij die daar voor ons liggen hielpen een stuk verleden en wereldgeschiedenis op te bouwen. Misschien zijn er helden onder hen, met een dodelijke blik voor vijanden; misschien zachtmoedige kunstenaars die de hemel van het schone in hun borst koesterden zonder erbij stil te staan hoe wreed dat hemelhuis ooit omver zou worden geworpen – misschien mooie vrouwen en meisjes, wier oog de verrukking van de liefde in andere harten uitstraalde en omwille van wie een dweperige waanzinnige jongeman zijn lichaam voortijdig vergooide. Hoe ze er nu ook liggen: – de droom is voorbij en allen zijn ze een waardeloze massa – misschien liggen er ook bij van wie de lichamen waren bekleed met zijde en purper, naar wier wimpers duizend ogen keken om te zien of ze aardig knipperden of toornig, die uit goud en zilver aten, al wat ruw was en vies ver van zich afhielden en nu zelf armer en viezer zijn dan het dier in het gebergte dat in een rotskloof is gevallen en er in de middagzon verdort en door de windvlagen in de nacht wordt gedroogd. –
Zij allen deden moeite, kochten in, gaven uit, werkten, klommen op, verrichtten daden, duizend armen waren iedere dag in de weer, zielen dachten, harten gloeiden van verlangen en begeerte of van bevrediging en triomf, hartstochten kookten en koelden af – nu is alles voorbij en van het bergmassief van al wat ze in hun leven hebben gepresteerd is een bladzij geschiedenis overgebleven en zelfs dat blad krimpt, terwijl de eeuwen voorbijrollen, tot een enkele regel ineen, tot ook die ten slotte verdwijnt en er helemaal geen tijd meer is die ooit eens wie erin leefde zo groots en heerlijk uniek is voorgekomen.
In de stilte van onze overpeinzingen klonken nu de woorden van een gids: ‘Het zal hier, zodra alles is uitgegraven en verlucht, nog veel uitgestrekter en prachtiger zijn om rond te lopen dan nu; want ook de vloer waarop we op dit moment lopen is hoogstwaarschijnlijk slechts het plafond van andere gewelven die onder ons zijn gelegen.’ We hadden inderdaad op plaatsen waar we geen zachte molm onder onze voeten hadden al vaker het gevoel dat we over harde, licht gewelfde plekken wandelden. En toen de gids die woorden had gesproken, verlieten we de nare bres en bereikten inderdaad een vertrek waarvan de vloer opengebroken was en kijk, beneden was opnieuw zo’n portaal als dat waar we nu in stonden, een ladder leidde er door de gemaakte opening naartoe en twee van ons daalden af. Het gewelf leek lager, vermoedelijk alleen vanwege het opgehoopte puin. Naar de wanden toe en in de hoeken viel er, door de molm en de diepe duisternis waarin onze kaarsen behoorlijk krachteloos waren, niets duidelijk te zien, maar onze gids verzekerde ons dat hier beneden alles volgepropt was met doden. Oneindig opgelucht klommen we weer naar boven – vreemd! – Ofschoon de lucht onbegrijpelijk droog en zuiver was, voelde de fantasie zich bevrijd toen ze wist dat er opnieuw nog maar één plafond boven haar hoofd was. Zij die niet waren afgedaald beschenen nog één keer de grot en toen liepen we verder verscheidene gangen en lege gewelven door, op de terugweg, zo leek het me.
We waren alle oriëntatie al zo erg kwijt dat ieder ten volle besefte hoe onmogelijk het was zonder gids de weg naar buiten te vinden – zeker wanneer iemand helemaal alleen was. Men zei dat hij de wegen waarlangs hij was gelopen slechts met beenderen moest bestrooien om steeds andere gangen te vinden, ook die dus die hem naar buiten kon brengen.
‘Maar wat als in het slechtste geval ook zijn kaars zou uitgaan?’ merkte een ander op.
Het is een verschrikking zoiets te denken en het verhaal van zulke ogenblikken zou loodzwaar van inhoud zijn. Nog één keer flakkert de kaars en gaat uit: rondom hem nacht, zo diep als de aarde er geen kent. De doden, die hem door de kaars tevoren werden getoond, moet hij nu met zijn innerlijk oog ontwaren en omdat de begrenzing van de ruimte die het kaarslicht hem voorheen zo vriendelijk heeft laten zien, hem door de duisternis is ontrukt, moet hij zich nu het hele dodengewelf ineens voorstellen, de hele opengebroken dodenstad met al haar bewoners – ingespannen luistert hij – misschien beweegt er iets in het geniep – alles stil, alleen het knisperen van zijn stap en het doffe geritsel van zijn handen als hij op de tast langs de muren loopt – hij roept, hij roept – niet de minste hoop dat hij wordt gehoord; hij ijlt van doodsangst en uit schrik voor spoken als gestoken door gangen en gewelven die eeuwig uitkomen op elkaar. – Uren al, misschien is er zelfs al een dag voorbij – hij pakt, steeds de rotswand grijpend, een dode vast en merkt dat het dezelfde is die hij al een keer heeft vastgehad – intussen hoort hij boven het orgel klinken, misschien ook de parochianen zingen of de klokken luiden, de vrolijke karren op de straatstenen ratelen – hij roept en roept – iedereen vervolgt zijn weg, het wordt stil, nacht dus – iedereen vervolgt zijn weg – en ’s anderendaags hoort hij weer precies hetzelfde – enzovoort en zo verder – tot de grafkelder er een dode bij heeft.
Ik huiverde toen ik dit dacht en onwillekeurig schurkte ik tegen de gidsen aan, gaf me met een zachte rilling over aan de gedachte ‘als ze maar veilig de smalle hoge deur terugvinden waardoor ze ons naar binnen hebben gelaten.’
‘We zijn nu onder de post,’ zei een van hen en scheen met zijn fakkel verder de gang in.
Bijna begon het in deze massieve kruisgangen en overwelvingen drukkend te worden – altijd maar mensen, rotsvaste stenen muren, geen ramen, geen enkele opening. – Hoe moeilijk kan de mens zonder dat lichte luchtige plafond dat hij, onbezonnen als hij is, geen blik waardig keurt, het plafond van het firmament! Het kwam me voor alsof ik de lucht zelf miste. –
Op dat moment viel een bleke streep van boven neer, het was daglicht door de schacht van het Duitse huis – ik herkende de stangen en het stro, de planken en de draagbaren van het eerste gewelf – de vloer ging omhoog – de smalle deurvleugel ging open en we stapten naar buiten, op het plaveisel van het Stephansplein, dat glansde van de regen.
De borst van de sterkste man verhief zich vrijer in de frisse lucht; een fijne novemberregen viel neer uit de hemel. Men stak net het avondlicht aan, goud, zilver, zachtjes glimmende zijden stoffen werden er in de schitterende winkels door verlicht – kostbaar geklede mensen wemelden langs me heen; prachtige koetsen reden voorbij; de toren van St. Stephan rees hoog in de lucht op, en aan de overkant weerklonk gepraat en gelach langs de verlichte huizen. –
Ik evenwel liep als in een drukkende droom naar huis, terwijl de stroom van het onbegrijpelijke leven der mensen aan mij voorbijflitste.

Uit: Adalbert Stifter, Ein Gang durch die Katakomben in: Die Mappe meines Urgroßvaters, Schilderungen, Briefe Winkler Verlag 1995.

Over de auteur:

Adalbert Stifter (1805-1868) was een Oostenrijks schrijver van romans en verhalen. Hij behoort tot de Biedermeierperiode, tussen romantiek en realisme. De schijnbaar idyllische wereld die Stifter beschrijft is niet zelden afgrondelijk. Bekende werken zijn Studien (1850), Bunte Steine (1853, Ned. vert. Kleurige stenen (2008) door Wilfred Oranje) en de ontwikkelingsroman Der Nachsommer (1857).

Over de vertaler:

Erik de Smedt (1953), vertaler en criticus. Recente publicaties: Ann Cotten, Alle zwanen heten Reinhard en andere gedichten (2011), Spiel auf Leben und Tod. Die Auferstehung des Konrad Bayer (2012).