Blog | Kim Andringa, oktober 12, 2013

Het naar bed gaan

We bladeren nog even voort in de Handleiding tot de conversatie Hollandsch-Fransch (Garnier, 1864). Auteur Antoni Dufriche-Desgenettes (1804–1878), door Wikipedia bondig omschreven als “merchant, ethnographer, poet, and linguist” (hij introduceerde de term foneem), kwam in die eerste hoedanigheid ook in Nederland terecht. In de inleiding bij zijn postuum verschenen verzen (Poésies diverses, A.Parent, 1879) schrijft zijn vriend A. Cachin (mijn vertaling, K.A.): “… hij reisde verscheidene jaren door Holland, en dit land, waarvan hij het karakter en de zeden waardeerde, werd als een tweede vaderland voor hem; hij knoopte er niet alleen aangename betrekkingen aan, maar ook solide vriendschappen die nog steeds voortduren, en hij schrijft dan ook ergens:

Ma patrie est aux lieux où sont les gens que j’aime,
La Hollande, à ce compte, est aussi mon pays

De poëtische ontboezemingen van Dufriche-Desgenettes hebben geen onvergetelijke verzen opgeleverd. Zijn literaire ambities spreken ook uit de conversatiegids, die niet alleen gebruiksklare zinnen bevat zoals we die in de vorige aflevering zagen, maar ook scènes waarin de auteur kennelijk zijn verbeelding de vrije loop gaf. Zo wordt Nederland een land waar het in 1864 kennelijk voor een heer, zelfs een luie, nogal wat voeten in de aarde had om ‘s avonds in bed te duiken, getuige de volgende passage.

B. Wel! Zijt gij over uwen dag tevreden?
A. het gaat nogal , maar ik beken u dat ik zeer vermoeid ben. Ik zal mij uitkleeden, en dadelijk naar bed gaan ; binnen vijf minuten behoor ik niet meer tot deze wereld.
– Jan, geef mij een laarzentrekker, mijne pantoffels en mijne nachtmuts.
J. Ziedaar, Mijnheer.
A. Hebt gij de blinden gesloten?
J. Ja, Mijnheer.
B. het zou beter zijn ze open te laten.
A. Waarom ?
B. Om de zon vroeger te kunnen zien.
A. Ik ben onwaardig door de zon beschenen te worden.
B. Wat zal er dan van uwe goede voornemens van heden morgen komen?
A. Daaarvan weet ik niets; ik weet alleen dat ik neerval van den slaap.
J. Hoe laat moet ik Mijnheer wekken?
B. Ten zes ure.
A. Jan, ik jaag je weg, als je het ongeluk hebt mij vóór tien uur te wekken. Doe de gordijnen van mijn bed toe.
– O gelukkig bed! Gezegend hij, die de bedden uitgevonden heeft.
B. Is dat uw nachtgebed!
A. Mijn beste vriend, gij verveelt mij zeer; laat mij slapen. Goede nacht.
B. Dante had wel gelijk, toen hij zeide dat de hel met goede voornemens bestraat is.

Kim Andringa (Middelburg, 1977) woont in Parijs. Ze studeerde Franse taal- en letterkunde in Nijmegen en vervolgens Franse literatuur aan de Sorbonne. Ze promoveerde daar in 2009 in de vergelijkende literatuurwetenschap en doceerde er Nederlands. Momenteel is ze universitair docente vertalen (Frans-Nederlands) aan de universiteit van Luik (ULG) . Daarnaast is ze werkzaam als literair vertaalster Nederlands - Frans, Frans-Nederlands, Fries - Frans, hoofdzakelijk van hedendaagse poëzie.