thema:

Bewegingloos engagement. Voor János Pilinszky

Beste János,

In 1981, het jaar dat je overleed, ontmoetten we elkaar voor het eerst op de middelbare school. Er was al goulashcommunisme in Hongarije. We zaten nog steeds achter het IJzeren Gordijn, maar het leven was een beetje vrijer dan in andere Oost-Europese landen. Ik had een jonge leraar Hongaarse literatuur die niet bang was van je werk. In de klas besprak hij je leven en filosofie uitvoerig. We ontrafelden nauwkeurig je beeldspraken die ons meevoerden naar de verboden en mysterieuze wereld van de liturgieën.
We hadden het over God, de Pietà, de derde dag en genade.
We hadden het over hoe woorden tekortschieten om de liefde te beschrijven maar dat gedichten zelfs het onbenoembare kunnen omcirkelen.

De meesten van ons kenden de verhalen van de Bijbel niet. Naar de kerk gaan was destijds een underground belevenis. We waren dus onwetend en onbevangen. Later in mijn leven ontmoette ik velen die juist door hun religieuze opvoeding God verloren hadden. Wij waren zonder God opgevoed.
We leerden verplicht Russisch met verhalen over vrolijke fabrieksarbeiders en zingende pioniers in uniform die op zomerkamp met een bal speelden. De Hongaarse opstand van 1956 tegen het stalinistische bewind werd als contrarevolutie in onze geschiedenisboeken besproken. We leefden in een wereld waar fictie en werkelijkheid helemaal door elkaar liepen. Het leven om ons heen was zo ingericht dat er altijd twee versies van de werkelijkheid bestonden; een officiële en een niet-officiële. In communistisch Hongarije wist iedereen dat en deed iedereen eraan mee. Er was geen eenduidige waarheid, niemand vroeg zich meer af wat een leugen was en wat niet.
Ik had het niet gemakkelijk als puber. Ik had veel te veel vragen en kon mij moeilijk schikken naar kant en klare ideologieën. Ik voelde mij alleen en zocht naar liefde. Via jouw gedichten kwam ik in contact met iets groters dan mijzelf; iets wat ik nu ook God durf te noemen. Het was niet de collectieve christelijke god. Hij zat niet op een wolk. Het was stilte en rust om te kunnen kijken en zien. Je gedichten waren mijn gidsen in menselijkheid. Ze werden mijn beste vrienden. Ik had je bundel altijd in mijn tas.

De jaren gingen voorbij en ik bleef je lezen. De puurheid en precisie van je taal, de zuivere beschrijvingen van verstilde beelden waarin ik de vrijheid kreeg om zelf verbindingen te leggen, raken mij nog steeds.
Ik ben in de tussentijd theatermaker geworden. Het idee dat verbeelding de werkelijkheid dichterbij kan brengen, heb ik ook van jou geleerd.
Je gedichten werden een soort blauwdruk van hoe ik de werkelijkheid ontleed.

Je zei ergens dat poëzie niet zozeer over taal gaat maar over het onderdompelen in taal. Poëzie ligt onder de taal, net zoals het leven zich onder het universum ontvouwt. Een dichter is een kluizenaar voor wie het pure aanraken belangrijker is dan dat wat hij aanraakt. Hij wil de wereld in al zijn verscheidenheid leren kennen door de restjes die door anderen op hun bord zijn achtergelaten. Je noemde vier kunstenaars die zo werkten: Dostojewski, Simone Weil, Witold Gombrowicz en Robert Wilson met zijn voorstelling Deafman Glance.

In mijn theater luister ik naar de persoonlijke, kleine, onaffe, zoekende verhalen van mensen. Ik verzamel korrels levens. Ik wil het verborgen gemeenschappelijke ontdekken, dat wat ons bindt. Het is één continue beweging tussen mij, de ander en de wereld. Ik probeer het moment, het rauwe en authentieke nu, dat wat echt is, te vangen. Het is een onmogelijke opgave, want het nu is vluchtig. Daarom maak ik theater, want daar en misschien alleen daar, kan het. Theater is een hevige ontmoeting met het nu. Er is een continue en directe uitwisseling tussen de mensen in de zaal en het verhaal. Theater is tegelijkertijd fictie en werkelijkheid.

Sheryl Sutton schreef een brief aan jou toen je aan jullie dialoogroman werkte:

Dear János,
I am very happy to read that you are working on ‘our book’. It’s evident that reality can be best approached only thru fiction. I trust that our imagined dialogues are like those in life and I understand also that your book is not an interview but a ‘novel of a dialogue’. I hope your work progresses well.
Love Sheryl

Dialogen met Sheryl Sutton heb ik van mijn opa gekregen. Om precies te zijn: eigenlijk had ik het van hem geleend en nooit meer teruggegeven. Opa heeft er nog een paar keer om gevraagd, maar ik kon me er gewoon niet toe zetten om het terug te geven. Het hoorde bij mij. Uiteindelijk heeft opa stilzwijgend zijn goedkeuring gegeven en het boek bij mij gelaten. Ik heb het nog steeds.
Op de kaft staat de zwarte actrice Sheryl Sutton uit het toneelstuk Deafman Glance van Robert Wilson. Het stuk werd in 1970 in New York op de Brooklyn Academy of Arts opgevoerd. Jij was erbij. Daar hebben jullie elkaar ontmoet en zijn vrienden geworden.
Het is een zwart-witfoto van een moment uit de voorstelling. Sheryl zit als een koningin op een troon. Ze heeft kort kroeshaar en draagt een hoogsluitende, lange, zwarte jurk. Haar armen rusten op de leuningen. Op haar rechterhand zit een zwarte raaf. Ze kijkt bewegingsloos voor zich uit.

In het voorjaar van 1973 lag je in Parijs met longontsteking in bed. Sheryl bezocht je elke dag. Ze verzorgde je, gaf je eten en drinken, schudde je kussens op en verschoonde ze. Jullie gedachten liepen niet alleen parallel met elkaar, ze waren bijna identiek, vertel je in het boek. Zo kwam je op het idee om een studie te schrijven met de titel: Gesprekken met Sheryl Sutton. Toen je het idee aan Sheryl vertelde, leunde zij achterover in de fauteuil en bleef ze minutenlang schudden van het lachen. Daarna haastte ze zich naar de keuken om aardappels te koken, zoals elke avond. Je schrijft dat jullie ‘zonder lof en zonder te praten’ dineerden. ‘Ik moet nog nadenken over de vorm van ons boek’, zei je voordat Sheryl je onder de dekens stopte, de kamer luchtte, het licht uitdeed en de deur op slot draaide. Je hoorde haar nog de trap afgaan, door de tuin lopen en vervolgens de straat opgaan.

Ik kende Deafman Glance alleen door jullie boek. Ik zag de delen van de voorstelling die je beschreef vóór me. Ik kon voelen en ruiken hoe Sheryl na uren zitten opeens opstond en begon te zweten. Het was een voorbeeld van een ‘drame immobile’, van een bewegingloos drama. Er gebeurde iets heel belangrijks terwijl er niets gebeurde. Later op de Theaterschool heb ik de voorstelling van Wilson op video gezien. De opname was een enorme teleurstelling. Het stuk was gedateerd en saai. Het verloor alle magie. Ik heb de video niet eens uitgekeken. Fictie is echt beter om de werkelijkheid te beschrijven.

Gesprekken met Sheryl Sutton is een verzonnen dialoog. De twee karakters proberen het onbenoembare vorm te geven, gevoelens en denkbeelden uit herinneringen te vangen. De lezer weet nooit precies wat er echt is gebeurd, maar dat maakt ook niet uit. We worden meegenomen in de virtuoze gedachtegang en de schoonheid van de verstilde scènes. We zitten met jullie mee te denken en te associëren. We hebben koorts en leggen een kompres op ons voorhoofd. We verzinken in de onuitwisbare verhalen van het verleden en schrikken steeds wakker in het nu. We voelen onszelf en de ander.
Drame immobile: met het boek in onze handen spelen we met jullie mee.

Lieve János,
Ik had deze brief al veel eerder aan je willen schrijven, maar het is er nu pas van gekomen. Ik weet dat dat niet erg is. Ons contact is eeuwig en tijdloos.

Hartelijke groeten,

Petra

Over de auteur:

Petra Ardai (1967) maakt documentair theater in diverse media. Door haar projecten op de grens van fictie en werkelijkheid worden complexe maatschappelijke thema’s op een speelse en onconventionele manier doorgrond en persoonlijk gemaakt. Ze is artistiek leider van kunstcollectief SPACE, geworteld in Amsterdam en Boedapest en gastdocent aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Petra is medeoprichter van Plurality U+, een wereldwijd netwerk dat de verbeelding mobiliseert om inclusieve en duurzame toekomstscenario’s te bedenken.