Blog | , september 9, 2019

De jongen in het blauw

akim a.j. willems. Op de rand van het zwijgen. Uitgeverij vrijdag, 2019. 56 blz. €17,50

 

ik flirtte met je moeder. zie je

die man daar, wees ze

met een stem vol naalden,

hij is het kind van een meisje van zestien jaar.

 

het lied ook dat me ademloos toehapte

toen ik mijn zingen heb afgelegd.

maar niet de dader, de blik nu op oneindig,

van het koekoeksjong dat binnen in mij brandde.

 

Met dit gedicht opent de derde reeks uit het debuut van akim a.j. willems, een bewust hoofdletterloos gehouden publicatie die bestaat uit overwogen en afgewogen vormen. Overheersend op het eerste gehoor is een wat stroeve en ingehouden toon. De taal is hier aan het woord en die dient te worden gewantrouwd en ontzenuwd voordat we ermee aan de slag kunnen. Dat wordt meteen al treffend verwoord in het motto van Louis Paul Boon: ‘woorden zijn de struikelstenen / van iedere toenadering’. Het gevaar de taal te thematiseren in poëzie is ruim bekend, het kan flink misgaan als de dichter zich al direct bij opkomst in de eigen voeten schiet. De bundel op de rand van het zwijgen heeft daar geen last van, raar genoeg, zelfs al heet de eerste reeks ‘spraakgebrek’. De taal kondigt in het eerste losse gedicht dat aan de vier reeksen voorafgaat een eruptie aan en direct erna, in het eerste gedicht van de eerste reeks, is het de taal van de vader die de taal als brood brak en als noten kraakte en die nooit zacht sprak.

Kun je je zingen afleggen, kun je wijzen met een stem vol naalden? Blijkbaar wel, in deze poëzie dan die stroef en ingehouden begint met een wat norse stem die in de verte aan de eerste bundel hulp (2004) van Bart Meuleman doet denken. Tegenover de ingehouden toon staat het grotere gebaar, ‘koffers vol vergeten’, ‘sporen van dagen’ en ‘een honger naar de winter’. Ergens ook ‘staat een aarzeling’. Dat is niet direct mooi, maar wat terdege overtuigt is de consequentheid van de bundel. Twee strofes van elk vier regels waarin de enige punt dikwijls na de vijfde regel valt, direct na de witregel.  De reeksen zijn consistent en dat getuigt van talent. Paul Celan, in ‘wiens armen’ de dichter de titel van zijn debuut vond, lijkt mij voor een debutant hoog begrepen, wel toont het een inzet, een richting. De reeksen ‘stilstad (populatie: 333)’ en ‘(verzen voor) de jongen in het blauw’ zijn wat mij betreft het sterkste. Daar wordt akim willem desondanks het formele karakter lyrisch, daar uit zich een wilde geest in een strakke vorm en dat geeft spanning aan de gedichten. Maar wat betekent ‘zuit’ in ‘haar bedeesde liedjes zuit ze liefst’? Huit, zuit en smuit zeggen de boeren van Huirtuit, lees ik in het Vlaams woordenboek. Gooit ze soms wat zout op die bedeesde liedjes? En wat te denken van ‘haar trage borsten / met elk hun eigen reden,’ doorzie ik die?

De laatste reeks met de onverschillige titel ‘brieven aan niemand in het bijzonder (en zeker niet aan jou)’ bestaat uit los zand, gedichten die voor verschillende gelegenheden geschreven lijken en hier tot reeks bijeengeveegd. Dat is jammer en doet een beetje afbreuk aan het geheel. Maar op de rand van het zwijgen blijft een opvallend debuut door zijn aanstekelijke mengeling van strakheid en opstandigheid. Ik zie uit naar meer.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.