thema:

Non-plaats

Vertaling:

Voor mij is de beste plek geen plaats, het is een non-plaats. Maar net als alle anderen, moet ik toch ergens zijn. Als ik al ergens moet zijn, geef ik de voorkeur aan een plek die voor mij zo min mogelijk een plaats is, een plek die voor mij zoveel mogelijk een non-plaats is. Je zou misschien denken dat ik er daarom de voorkeur aan geef zoveel mogelijk op plaatsen te zijn waar ik nooit eerder geweest ben, voor zover dat mogelijk is dan, dat ik er dus de voorkeur aan geef om steeds onderweg te zijn, maar dat is niet zo; misschien was dat ergens in mijn jeugd het geval, maar nu niet. Het was denk ik zo dat een nieuwe plek, de plaats waar ik op mijn reizen kwam, als een non-plaats voelde toen ik nog jong, onbevreesd en onbezorgd was; nu voelen nieuwe plekken die ik onderweg tegenkom méér als plaats dan andere plaatsen. Wanneer ik op een nieuwe plaats kom dringt deze zich aan mij op, neemt alles over; maakt mij bang en klein, verwart me.

Het is de plek waar ik het meest gewend aan ben die voor mij het meest eenvoudig een non-plaats wordt. Die plaats waar ik het meest gewend aan ben, kan ik goed ‘thuis’ noemen. Op de plaats waar ik het meest gewend aan ben krijgt wat de ruimte vult – en subjectief gezien kun je een plaats definiëren als datgene wat een ruimte vult – na verloop van tijd een gewicht dat maakt dat de ruimte aan mijn aandacht ontsnapt, verzinkt in iets dat je niet opmerkt, terwijl die ruimte er natuurlijk wel is, bestaat. De plaats verdwijnt, zou je kunnen zeggen, terwijl hij er tegelijkertijd is. Het is alsof de plek zijn ‘niet’ krijgt, tot non-plaats wordt.

Voor mij is ook de literatuur, misschien zelfs kunst in het algemeen, zo’n non-plaats. Een plek die verdwijnt, maar tegelijkertijd bestaat. Het belangrijkste aan literatuur is wellicht juist haar verdwijnende bestaan, dat literatuur onontkoombaar bepaald is, een plaats, die tegelijkertijd verdwijnt en tot iets onbepaalds wordt, een non-plaats.

Zonder de plaats, het bepaalde, kan de non-plaats echter niet bestaan. Dit wordt vergeten door de slechte auteur of kunstenaar. In slechte literatuur vind je alleen een ‘niet’, de plaats bestaat niet, maar daarmee ook de non-plaats niet; betekenis bestaat niet en daarmee ook non-betekenis niet, het geheel bestaat niet en daarmee ook het non-geheel niet, de inhoud bestaat niet en dus is er geen non-inhoud, de vorm bestaat niet en daarmee ook de non-vorm niet, enzovoort.

In goede literatuur bestaat de non-plaats.

In de non-plaats ligt verzoening, de verzoening die goede literatuur en kunst ons ondanks alles bieden, als opening waar lichaam en ziel elkaar ontmoeten, waar vorm en inhoud, leven en dood elkaar ontmoeten.

Naar mijn mening kun je een non-plaats best een plaats noemen, dat heb ik zelf ook gedaan. Maar de non-plaats is geen bepaalde plaats.

Over de auteur:

Jon Fosse (Noorwegen, 1959) schreef aanvankelijk vooral romans en poëzie, maar maakte vooral naam als toneelschrijver. Hij is een van de meest gespeelde en gelauwerde dramaturgen van Europa. Zijn werk is vaak sober, vol herhaling en mystiek. Fosse zelf noemt zijn gedichten "wrakgoed", iets dat boven komt drijven. In 2015 won Fosse voor de Andvake-trilogie de prestigieuze Literatuurprijs van de Noordse Raad.

Over de vertaler:

Roald van Elswijk (1974), onderzoeker en vertaler. Studeerde o.a. Scandinavistiek en Oudgermaans in Groningen. Publiceerde in 2007 de eerste Nederlandstalige bloemlezing uit de IJslandse poëzie (Moordliederen. Moderne IJslandse poëzie) en ook een bundel met Faeröerse dichters (Windvlinders. Poëzie van de Faeröer, 2008). Vertaalde ook met veel plezier een aantal kindergriezelboeken uit het Duits.