thema:

Over de grens

Een dichtbundel die ik de afgelopen weken overal mee naar toe sleepte is Anxiety Myths van Afrizal Malna in vertaling van Andy Fuller, uitgegeven door Yayasan Lon­tar. Vaak is het lezen van een enkel gedicht eruit genoeg voor geruime tijd. Malna trekt je een ruimte binnen die concreet overkomt en toch alleen als gedicht bestaat. Hij schrijft in het Bahasan Indonesia, volgens hem een ondiepe taal met weinig referen­ties. Afrizal is geboren in 1957, zijn ouders wilden niet dat hij een van de talen van de eilanden leerde. Het Bahasan is de taal van de onafhankelijkheid. Nu ik hem in het Engels lees, lijkt hij een andere dichter dan in de Duitse vertaling en de paar in het Nederlands vertaalde gedichten die er bestaan. Alleen de vorm is al anders, dit zijn overwegend prozagedichten, wat ik eerder las stond in versvorm. Ik sprak met Afrizal in 2015 voor publiek op de Frankfurter Buchmesse. Hij was geen officiële gast van het gastland, net zomin als ik het jaar daarop, maar het Berliner Künstlerprogramm van de DAAD bracht ons bijeen in een hoek van een gigantische hal, met in een hokje tolken die alles van het Bahasan naar Engels en Duits en Nederlands vertaalden en terug. Afrizal was ontspannen. Hij vertelde dat hij om te kunnen schrijven zichzelf dikwijls pijnigt. Meestal is hij als hij schrijft naakt, dikwijls slaat hij met een hamer op een van zijn vingers voor hij aan het werk gaat. Geen performance poetry, maar een gebeurend schrijven dat een fysieke ervaring is. Hij grapte over een bedrijf dat oude gebouwen in Indonesië opknapt en daarvoor een campagne is begonnen met als titel ‘Help, de Hollanders komen terug!’ Ik kan de gedichten van Afrizal Malna nergens aan relateren, heb er geen referentiekader voor. Ik snap wel waarom Ulrike Draesner zich met zijn Duitse vertalingen bemoeide, herken het talige karakter erin. Tegelijk zijn de gedichten van Malna narratief. Ze beschrijven situaties, gebeurte­nissen, handelingen. Chris Keulemans bracht hem ooit in verband met Paul Celan, omdat beiden in een taal dichten die voor hen beladen en problematisch is. Toch is Afrizal Malna de laatste die iemand aan zal spreken op de kolonisatie. Tekenend is zijn milde distantie, zijn glimlach.

Dat ik deze inleiding begin met uitgerekend een dichter die niet in dit nummer is opgenomen is geen toeval. Afrizal Malna zal terugkeren in een volgende editie, bij voorkeur in een toekomstige special over Indonesië. Voor u ligt een nummer met vertaalde poëzie uit alle windstreken. Een paar van de dichters zijn overleden, de meesten springlevend en in de bloei van hun schrijven. Dit nummer is het uiteindelijke resultaat van twee oude beloften. Ten eerste kondigde Jacq Vogelaar in 2007 in de inleiding van Raster #119 ‘Gedicht / Geen gedicht’ een groot internationaal poëzie­nummer aan waarvoor voorbereidingen werden getroffen. Dat Terras een anagram is van Raster en niet de pretentie heeft het op te volgen maar wel de internationale geest in ere wil houden, moge inmiddels bekend zijn. Het is misschien geen toeval dat juist in dit nummer het artikel ‘Biograaf gevraagd’ is opgenomen van Tommy van Avermaete en Fyke Goorden die niet zozeer de biografie van Vogelaar willen schrijven maar een biografie. Hier treden zij toe tot onze redactie waar ze in de toe­komst de essayistische component van zullen versterken en verder ontwikkelen. Ten tweede is er twee jaar terug een conferentie gehouden op de Universiteit van Utrecht waar onder bezielde leiding van Ton Naaijkens specialisten discussieerden over de mogelijkheden en wenselijkheden van een nieuwe bloemlezing met poëzie uit de hele wereld. Kenners, vertalers, dichters, organisatoren, samenstellers van poëzie­bibliotheken, programmeurs, ze kwamen uit Birmingham, Riga, Venetië, Marseille, Gent, Newcastle, Bratislava, Gent, Berlijn, Münster, München en de buitenwijken van Parijs bijeen om van gedachten te wisselen. Niet om de poëzie tot Europa te beperken, maar juist om de blik naar buiten te werpen en van elkaars perspectieven te leren.

Het voelde bij tijden als een mollengang, dat nummer en die bloemlezing, en ik dank iedereen die in de loop der jaren de tunnel kwam bijlichten of helpen graven of zand afvoeren en verse lucht toedienen. Pas nu de vertalingen binnengekomen zijn en bijeengebracht, lijkt het alsof er aan het einde licht in zicht is. Sommige ver­talingen die hierna volgen ervaar ik als het strijken van de rand van een munt over een kraslot. We hebben wel het vermoeden gehad maar kunnen ons nu pas van de kwaliteit vergewissen. Speciale dank gaat uit naar Pia-Elisabeth Leuschner van het Lyrik Kabinett in München, die ons altijd even opgewekt ontving en ruimhartig bloem­lezingen en bundels van heinde en verre voor ons bestelde en klaarlegde. Ook die van Afrizal Malna. Speerpunt van deze selectie is de intuïtie van Anna Eble, die niet alleen in haar moedertaal, het Duits, maar ook in andere talen weet te onderscheiden welke poëzie bijzonder en afwijkend is. Uiteindelijk heb je meer aan een week in een poëziebibliotheek met een aantal uren geconcentreerd lezen dan aan jarenlang festivals afreizen, wil je dichters vinden die nog niet bekend en de moeite van het ontdekken waard zijn. In een bibliotheek zoals die in München, maar het ook in het centre international de poésie Marseille en het Poëziecentrum Gent.

Deze breedsprakige woorden willen niet verhullen dat dit gewoon een Terras-nummer is waarbij ook de vertalers werk hebben aangedragen. Mathias Kniep die we kennen van het Berlijn-nummer Terras #04 is terug om ons zijn meest geliefde dichter voor te stellen en vertelt ons in soms ijle en grimmige bewoordingen waarom Ludwig Greve onterecht zo onbekend is gebleven. Maria Schubarth wijdt ons in in de rijke poëzie van de Oostenrijkse dichter Peter Waterhouse en verbindt die met het wezenlijke leren van taal. Proza is er van de Duitse dichter Gerhard Falkner. Oud-redacteur Mischa Andriessen, die Terras jarenlang van zijn kalme en wijze inzichten voorzag, presenteert twee dichters uit Schotland. Dit nummer is er vooral een van de vaste vertalers: Jeske van der Velden, Han van der Vegt, Lisa Thunnissen, Erik de Smedt, Kim Andringa en Emilia Menkveld, maar evengoed van Hans Kloos, Joost Baars, Maarten Buser, Ad Zuiderent, Audrey Heijns, Bodil Kok, Lennard van Uffelen en Mattanja van den Bos. Alfred Schaffer brengt direct na het Afrika-nummer een nieuwe ontdekking, poëzie van Koleka Putuma, die geboren is vlak voor de eerste vrije verkiezingen en vorig jaar debuteerde.

Niet lang voor de val van de muur trok ik naar Budapest en leerde Petra Ardai kennen die me haar liefde voor János Pilinszky overbracht. Zijn werk is delicaat, minimalistisch, uiterst gevoelig. Hij leerde naar eigen zeggen zijn moedertaal van zijn verstandelijk beperkte tante Bébi die niet verder kwam dan een soort stotteren, groeide op in een tehuis voor nonnen en ging naar school bij de Katholieke Orde der Piaristen. In 1944 en 1945 werd hij de oorlog in gestuurd en raakte er krijgsgevangene, wat onmiskenbaar in zijn poëzie de nodige sporen heeft achtergelaten. Men zou hem de Hongaarse tegenhanger van Paul Celan kunnen noemen, ook al is zijn werk stukken minder abstract en op andere wijze verstenigd en tot glans gekomen. De gedichten lijken roerloze iconen. Wat religie heeft betekend voor Pilinszky, die onder het communisme een tijdlang een publicatieverbod heeft gekend, is iets anders dan het gangbare en dat komt het beste tot uiting in zijn poëzie. Het staat wellicht dichter bij het gedachtengoed van Hannah Arendt dan bij enige kerkelijke of geestelijke leider. Zijn eerdere ver­taler Erika Dedinszky dichtte hem een haast calvinistisch want zeer pessimistisch en belijdend katholicisme toe. Zij vertaalde van Pilinszky de bundel Krater (Kwadraat, 1984), onder redactie van Peter Nijmeijer. Helaas is daarmee de receptie van János Pilinszky in het Nederlands gestopt, waar die in andere talen juist doorging. Erika Dedinszky kreeg een busongeluk en wilde niet langer vertalen. Ook in Raster is Pilinszky te vinden, met een fragment uit zijn tekst over theater en ritueel uit de Gesprekken met Sheryl Sutton, de Amerikaanse actrice uit het theater van Robert Wilson die Pilinszky daadwerkelijk tijdens een ziekte in Parijs heeft verzorgd. Toch zijn de dialogen fictief, beide stemmen zijn door Pilinszky vertolkt. Dat de status van Pilinszky ook tot irritatie kan leiden, bewijzen de gedichten van Tara Bergin, ook hier opgenomen, die zich erover verbaast dat Ted Hughes die geen woord Hongaars sprak, zich met zijn werk bemoeide. In dit nummer staan de gedichten van Pilinszky bijeen die Petra en ik in de loop der jaren vertaald hebben, en een toespraak die hij in 1970 in Parijs hield, vertaald door Cora-Lisa Sütő.

De religieuze ervaring van Pilinszky is heel anders dan die van Joy Ladin, de eerste transgender professor aan een Joodse universiteit, die in psalmen de god aanspreekt van wie ze haar lichaam niet mag hebben. Zij wordt vertaald en grondig ingeleid door dichter Joost Baars. En als János Pilinszky in zijn toespraak verhaalt hoe hij met de dichter André Frénaud als molenopzichters aan een cafétafel naar buiten kijkt waar een massa halfnaakte, in fantastische kostuums gestoken, net uit bed gekropen mensen door de straten van Saint-German-des-Prés golft, doet dat onwillekeurig den­ken aan toneelschrijver Frans Strijards die als hij in Amsterdam aankomt en met zijn neus in de boter van de Actie Tomaat belandt. Dit jaar vijftig jaar geleden. Het begin van zijn memoires, die alle kenmerken van een feuilleton of vervolgverhaal hebben, sluit dit nummer af en wijst vooruit naar het Theater-nummer Terras #17 dat wij in het najaar van 2019 zullen uitbrengen, waarin de verhouding tussen literatuur en theater in Nederland en over de grens nader bekeken wordt.

Een bloemlezing is vaak voorgesteld als een vaas met verschillende bloemen, daar komt het woord vandaan. Er zijn de nodige andere beelden voor bedacht zoals een ark, een museum zoals dat van Hans Magnus Enzensberger of een atlas zoals die van Joachim Sartorius, legendarische anthologieën uit de tweede helft van de vorige eeuw. De atlas keert terug in de Grand Tour van Jan Wagner en Federico Italiano die bij het ter perse gaan van dit nummer verschijnt, een 600 pagina’s tel­lende bloemlezing die zeven reizen door Europa veronderstelt en diverse dichters van vijftig jaar en jonger bijeenbrengt. Maar bestaat er wel zoiets als een Europese poëzie en hoe verhoudt hun keuze zich tot de canons die dikwijls aan een taal of nationaliteit gebonden zijn? En zou een anthologie die niet bij Europa stopt maar de hele wereld beslaat dan vijf keer zo dik moeten zijn, nog even los van de leef­tijdgrens die voor ons niet telt? Moet je wel bloemlezen, kun je nog wel naar landen rubriceren in een steeds complexere wereld, waarbij herkomst, geboorteplaats en taal waarin men schrijft niet langer homogeen zijn? Zoals de grens tussen wat een gedicht is, hoe dat eruit ziet, en wat dat niet is aan iedere dichter is en als het goed is telkens opnieuw uitgevonden wordt. Over iedere feitelijke grens lijkt die grens weer anders te liggen. De notie van poëzie, wat dat is, hoe dat ervaren wordt, wat voor plek die inneemt in een cultuur, is naar mijn groeiende overtuiging in iedere taal en ieder land een andere. Dat maakt de bloemen in een en dezelfde vaas alleen maar afwijkender, oorspronkelijker en veelvormiger. We zijn met dit nummer nog lang niet klaar, hier volgen slechts achtentwintig schoten voor de boeg. In ieder nummer van Terras zal als altijd vertaalde poëzie voorkomen, net als elders, op onze website www.tijdschriftterras.nl en op het online platform The Playground waar u met de deelnemers van de conferentie in Utrecht van gedachte kunt wisselen. Welkom bij de poëzie van over de grens. Wij wensen u een behouden vaart. ‘Is een kunst van paria’s mogelijk,’ vraagt János Pilinszky in een gedicht getiteld ‘Meditatie’. ‘Kan die in de mens verslibde dierlijke bescheidenheid wel hopen op vormen, op woorden? Is een ritme dat enkel pulseert zoals honden in de zomer, bestaanbaar? Een geest die armer is dan alle vergelijkingen en kaal als een steen, niet in ons bewustzijn, maar aan de grond genageld? Een taal die de kracht gemist heeft om zijn loof, zijn takken te ontvouwen?’ Pilinszky noemt het ‘een dorst door niemand nog gedrenkt’ en ‘een ellende waarvan de romp steeds afgrijselijker hijgt.’ Maar uiteindelijk klinkt zijn slotwoord even dreigend als bevrijdend: ‘Hij krijgt straks alle macht en glorie.’

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicaties: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013), Acedia (poëzie, 2014) en Zog (Van Oorschot, 2018). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl