Signalementen december

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Leónidas Lamborghini – De misplaatste sollicitant

In tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse romankunst heeft de poëzie uit die streken de Nederlandse lezer nog best een aanzienlijk aantal Grote Onbekenden te bieden. Neem de Argentijnse dichter Leónidas Lamborghini (1927-2009), van wie Bodil Ponte nu voor het eerst een Nederlandse vertaling brengt – gelukkig meteen een forse bundel. Een delirium, naar eigen zeggen, waarin de tumultueuze Argentijnse geschiedenis haar plek opeist naast een niet minder tumultueuze zoektocht naar zelfinzicht. Criticus-dichter-homoactivist Néstor Perlongher rekende Lamborghini nog net tot de neobarok of ‘neobarroso‘ (jongere broer Osvaldo Lamborghini gold als een radicalere exponent) en schreef hem een ‘episch populisme’ toe. Episch is dit werk zonder meer, zij het een epiek van haperingen, herhalingen en onderbrekingen; populisme zou hier grofweg gesitueerd kunnen worden in een hang naar directheid en een anti-idealistische inslag: ‘zorg dat je woord / een invasie is / van het ongemaakte / dat wat je zegt / uiting is van jouw bestaan / niet van ‘jouw poëzie”. In politiek opzicht komt deze tendens het scherpst naar voren in de eerste sectie (‘Voeten in de fontein’) waarin Lamborghini met het nodige sarcasme de ‘Bevrijdende Revolutie’ in het Argentinië van de jaren vijftig hekelt: ‘Op de vuilnisbelt / dit is de plek der wonderen / waar bijna niemand / eraan ontkwam / bevrijd te worden’. De overige drie secties zijn minder concreet in hun politieke positionering. In de tweede sectie (‘Hij zelf’) lezen we bijvoorbeeld acht geraffineerde stadsgedichten over een man wiens identiteit in vergelijkingen lijkt op te lossen (‘zoals die ene / zoals die ene’) en in de derde (‘Het vrijheidsbeeld’) wordt een koortsachtige taalklautering ondernomen: ‘en hoelang wel niet was ik / en op dat punt / dacht ik was van aankomst / of van vertrek / en op dat punt / en wat wat’. Om al deze gedichten hangt een zweem van haast, of het nou is om iets gezegd te krijgen of om juist ergens aan te ontkomen. Aan de lezer dus de schone taak deze verzen bij te benen, ook als ze lijken te struikelen over hun eigen tempo. De indruk van beweeglijkheid wordt versterkt door het gegeven dat Lamborghini jarenlang bleef sleutelen aan de compositie van De misplaatste sollicitant: de vroegste gedichten dateren uit de jaren vijftig, de eerste versie van de bundel verscheen in 1971, waarna er nog een aantal herzieningen volgden – de laatste in 2008, toen hij er ook nog een sectie aan toevoegde. Deze hele bundel als ‘één lang gedicht’ lezen, zoals Lamborghini zelf voorstelde, is uit delirisch oogpunt vermoedelijk de beste leeswijze.

PoëzieCentrum | 2020 | Uit het Spaans vertaald door Bodil Ponte | Nederlands | 158 pagina’s | € 20,-

 

Javier Cercas – De koning van het schimmenrijk

Manuel Mena sneuvelde op 19-jarige leeftijd aan het front van de Spaanse burgeroorlog, als officier in de legers van Franco. Mena is een oudoom van schrijver Javier Cercas en gold aanvankelijk binnen de familie en in het dorp Ibahernando, waar hij en zijn familie vandaan komen, als een legendarische held. ‘Voor de franquistische families was Manuel Mena het summum van de nationale held: jong, bevallig, idealistisch, ijverig, onverschrokken en in de strijd gevallen voor het vaderland.’ Maar met de tijd veranderde die status allengs in een schandvlek. Cercas kent zijn oudoom Mena enkel als familielegende en wil door middel van een nauwgezette historische reconstructie de mens Manuel Mena tevoorschijn halen. Hij wil daarbij echter niet de rol van fictieschrijver vervullen maar die van historicus: hij legt zichzelf op niets te verzinnen. Hij zoekt Mena in rapporten en documenten, maar ondervindt al snel dat die lang niet zo authentiek en betrouwbaar zijn als hij hoopte – niet verwonderlijk dus dat Danilo Kiš meer dan eens figureert in deze roman. Bovendien blijft Mena in die papieren werkelijkheden een ontzielde abstractie. Pas in gesprekken met directe getuigen en op lieux de mémoire komt hij tot leven en toont hij zich ook als een complexe figuur. Dan blijkt bijvoorbeeld dat hij tijdens een verlofperiode in een ruzie met zijn broer uitroept dat hij niet meer naar het front zou willen terugkeren, maar dat slechts doet om zijn broer, die vrouw en kinderen heeft, te ontzien. Met andere woorden, al op zijn 19e is Mena gedesillusioneerd, zijn idealen tegelijk met talloze lichamen in zinloze veldslagen aan flarden geschoten. Het maakt van hem meer dan simpelweg een ‘foute oudoom’. Cercas schreef met De koning van het schimmenrijk een zelfreflectieve roman waarin twee sporen zijn uitgezet: een reconstructie van het leven van Manuel Mena en een verslag van de zoektocht naar dat leven. Uit dat tweede spoor blijkt hoe nabij het omstreden verleden van Mena en de burgeroorlog in het algemeen nog zijn in het heden, hoe dat verleden doorwerkt in het nu. Het is vanuit die gedachte dat Cercas op het einde van zijn roman als een hedendaagse Spaanse Flaubert schrijft: ‘Ik begreep dat schrijven over Manuel Mena schrijven over mezelf was […] want ik wás hem.’

De Geus | 2020 | Uit het Spaans vertaald door Jos den Bekker | Nederlands | 320 pagina’s | € 21,50

 

Marie-Hélène Lafon – Het verhaal van de zoon

Het verhaal van de zoon van Marie-Hélène Lafon (1962) – recentelijk bekroond met de Prix Renaudot: ‘Ze is de uitvinder van de roman in Romaanse stijl’ – is een roman waarvan niet zo makkelijk te zeggen valt wie de hoofdpersoon is. Er is de zoon uit de titel, André Léoty, maar het verhaal uit diezelfde titel is net zozeer het verhaal van zijn vader, Paul Lachalme, van zijn moeder Hélène en van een klein ensemble aan overige verwanten. Een waarlijke familieroman dus, waarbij aangetekend mag worden dat familie een heel andersoortige eenheid is dan gezin. Het compacte, discrete verhaal bestrijkt een eeuw, van 1908 tot 2008, maar weet te ontkomen aan de zwaartekracht van een historische roman. Over de discutabele keuzes van Paul Lachalme tijdens de Tweede Wereldoorlog vangen we bijvoorbeeld wel een en ander op, maar Lafon waakt ervoor de geschiedenis het verhaal naar de kroon te laten steken. Ze hanteert daarbij een episodische vertelstructuur, waarin in ieder hoofdstuk een ander personage centraal staat (zonder bijbehorende bewustzijnsexcursie), en vestigt subtiel de aandacht op de invloed van taal op de verschillende personages, in het bijzonder het doorgeven van bepaalde zegswijzen en uitdrukkingen. Het verhaal van de zoon is de eerste roman van Lafon die in het Nederlands verschijnt; Rokus Hofstede vertaalde voor Terras #14 ‘Elders’ wel al enkele prozaminiaturen van haar hand. Een opvallende paratekstuele keuze is dat Het verhaal van de zoon zonder enige begeleidende context is uitgegeven: geen voor- of nawoord, geen auteursinformatie en op de flaptekst enkel een citaat uit de roman. Een onmodieuze gok van de uitgever, die daarmee de draagkracht van deze roman zeker niet overvraagt.

Uitgeverij Vleugels | 2020 | Uit het Frans vertaald door Katelijne De Vuyst | Nederlands | 144 pagina’s | € 27,79

 

Christine Lavant – Aantekeningen uit het gesticht

‘Schrijven is het enige wat ik heb. Ik lach en ik huil daarin, ik aanbid en ik bespot. Het is mijn pijnlijke plek en tegelijk mijn genezende zalf.’ Dat zijn de woorden van de Oostenrijkse dichter en schrijver Christine Lavant (1915-1973, pseudoniem van Christine Habernig-Thonhauser). In Nederland verschenen vanaf de jaren negentig enkele uitgaven van haar gedichten, maar pas dit jaar kwamen met Het kind en Aantekeningen uit het gesticht voor het eerst twee prozawerken uit in Nederlandse vertaling. De laatste van die twee is een vertelling gebaseerd op Lavants verblijf in een gesticht in 1935: net als haar personage liet Lavant zich vrijwillig zes weken opnemen in een Irrenhaus na een mislukte zelfmoordpoging. Ria van Hengel merkt in haar nawoord op dat in het gesticht waar Lavant verbleef tussen 1940 en 1945 ‘honderden “unwerte” mensen het slachtoffer werden van de euthanasiemoorden.’ In de episodische aantekeningen schetst Lavant het gesticht als een microkosmos met een volkomen eigen dynamiek, logica en hiërarchie, een uiterst instabiele en onberekenbare wereld waarin alles aldoor aan verandering onderhevig is: ‘Want hier is alles onzeker. Alles verandert van het ene op het moment op het andere, elk contact is dubbel en verschuift voortdurend van werkelijk naar onwerkelijk.’ Geen wonder dus dat ook Lavants vertelling zich doorlopend op de grens van het psychotische bevindt: gebeurtenissen zijn niet duidelijk afgebakend en lopen in elkaar over. Haar observaties van zowel medisch personeel als patiënten zijn van een genadeloze scherpte. Eén voorbeeld uit vele: ‘Bovendien was het zuster Friedel die me moest bewaken. Die lange, slanke, vlotte zuster Friedel, die altijd vrolijk brutaal en bijna arrogant is, een verzoek zou bij haar weinig hebben uitgehaald.’ In het boek schemert ook de tijdsgeest door, waarin het minste of geringste aanleiding kon zijn vrouwen op te sluiten en hysterisch te verklaren, en – eenmaal in het gesticht – te betasten. Het schrijven, dat voor de verteller van dit verhaal zo belangrijk is (‘Misschien roep ik met deze woorden een vloek over me af, maar dat ik ze moet opschrijven is ten slotte waarschijnlijk mijn opdracht.’), wordt door de geneesheren met een tergend dedain afgedaan: ‘”Ze wil alleen maar schrijven,” zei toen de scherpe stem vanaf het raam. Ze lachten allemaal, waarom zou ik niet ook lachen? “Tja, beste meid,” zei de kleine man, “die gewoonten zul je natuurlijk moeten afleren. Schreiven met e-i zeker, hè, waarschijnlijk kan ze niet eens behoorlijk spellen, maar schrijven wil ze!”‘ De lezer mag zich gelukkig prijzen dat Lavant het advies van de geneesheren niet heeft opgevolgd, maar ervoor heeft gekozen in weerwil van hun minachting de pen te hanteren om hen van repliek te dienen – en wat voor repliek.

Uitgeverij Vleugels | 2020 | Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel | Nederlands | 94 pagina’s | €22,90

 

Norbert Scheuer – Winterbijen

De roman Winterbijen (2019) van Norbert Scheuer bevat het fictieve dagboek van de gewezen docent klassieke talen en epileptische imker Egidius Arimond, dat de late oorlogsjaren 1944-45 bestrijkt. Arimond woont in de Eifel en helpt Joodse vluchtelingen in omgebouwde bijenkasten de grens over te steken naar België. Dat doet hij echter wel tegen betaling, niet in de laatste plaats om zijn medicijnen te kunnen blijven betalen. Als epilepticus in nazi-Duitsland moet hij op zijn hoede zijn, want ook voor epileptici is in het beoogde Duizendjarige Rijk geen plaats ingeruimd. Dat hij ondanks zijn ziekte überhaupt nog in leven is heeft hij naar eigen zeggen aan zijn broer Alfons te danken, een piloot bij de Luftwaffe. Egidius is door zijn epilepsie vrijgesteld van de dienstplicht. Hij is achtergebleven in de Eifel, zorgt voor zijn bijen en heeft affaires met de talrijke vrouwen wier dienstplichtige mannen aan het front vechten. Daarnaast bestudeert hij in de bibliotheek geschriften van een verre voorvader uit de middeleeuwen, de benedictijnse monnik Ambrosius Arimond. Hoewel het oorlogsgeweld in de loop van de roman verhevigt en met de bombardementen van de geallieerden aanzwelt, overheerst in delen van de roman de rurale stilte en de kalme verstilling van de natuur. De intrinsiek elliptische dagboekvorm draagt bij aan die bij tijd en wijle haast serene stemming. Richting het einde wordt de roman echter steeds benauwender: de kans op verraad van Arimonds smokkelactiviteiten wordt groter (‘ik zie intussen in iedereen een verklikker’), zijn medicijnen raken op waardoor hij meer epileptische aanvallen krijgt, en de luchtbombardementen zorgen voor een sfeer van chaos en vernietiging. Opvallend is de belangrijke rol die het schrijven op het einde van het dagboek krijgt toebedeeld door de dagboekschrijver bij het grip houden op de wanordelijke wereld om hem heen: ‘deze aantekeningen zijn het enige wat blijft. Ze houden me in leven, zijn mijn enige geheugen. Ik voel dat ik met elke aanval steeds meer vergeet; zo weet ik niet of ik iets heb verraden, ben zelfs vergeten hoe ik ben thuisgekomen. […] Alle bestendigheid van mijn herinneringen, elke ordening, lijkt verloren gegaan.’

In Terras #19 ‘Naar water’ is een – eveneens door Anne Folkertsma vertaald – fragment uit Scheuers roman Die Sprache der Vögel (2017) opgenomen.

Ambo|Anthos | 2020 | Uit het Duits vertaald door Anne Folkertsma | Nederlands | 310 pagina’s | € 22,99

 

Stefan Zweig – Aan de Europeanen van vandaag en morgen

Aan de Europeanen van vandaag en morgen is een bundeling van drie lezingen die Stefan Zweig heeft geschreven over zijn ideale Europa. Ze dateren uit 1932, 1933/1934 en 1936. In deze paar jaar ziet Zweig het sentiment in de samenleving veranderen: sprak hij in zijn eerste lezing nog vol vuur over de nieuwe generatie die de toekomst van een Europa vol saamhorigheid in handen heeft, in zijn derde lezing, vier jaar later, hebben zijn woorden al iets moedeloos, wanneer hij schrijft dat de idealistische Europese jeugd nu ‘de kracht en de dwang naar macht’ verheerlijkt. ‘Al deze jonge mensen zijn honderdmaal liever bereid om voor de grootheid en de roem van hun land te sterven, dan met de andere landen vreedzaam en in wederzijds respect te leven – ze willen liever “gevaarlijk leven”, om met Nietzsche te spreken, en de waan van het heroïsme, het heroïsme van de massa, is voor hen heiliger dan de idee van menselijkheid.’ Mede door het nawoord van Thomas Huttinga lezen we hoe Zweig zijn ideeën voor zijn ideale Europa op papier vormgeeft, hoe hij vanuit een verlangen naar verbondenheid verschillende suggesties oppert om een inspirerende organisatie op poten te zetten waarbinnen culturele uitwisselingen centraal staan. Huttinga schrijft dat Zweig aan het begin van de Eerste Wereldoorlog nog naar het front wilde, maar dat de schrijver Romain Rolland, die goed bevriend was met Zweig, hem ‘overtuigt zich in te zetten voor het pacifisme.’ Op de eerste pagina van Aan de Europeanen van vandaag en morgen staat een motto, een citaat van Zweig zelf, uit 1934: ‘Wij, die geloven in de toekomst van Europa en ook in de geest daarnaar leven, zijn verplicht ons diegenen te herinneren die te vroeg op deze wereld zijn gekomen, tevergeefs voor deze gedachte hebben gestreden en daarmee minachting en haat over zich hebben afgeroepen.’ Het is bijzonder treurig dat Zweig een aantal jaar later niet bij de ‘wij’ maar bij ‘diegenen’ bleek te horen.

IJzer | 2020 | Samenstelling en vertaling door Thomas Huttinga | 120 pagina’s | Nederlands | € 16,50

 

Waar woont de haat? Kritische stemmen uit de Hongaarse literatuur

Er is meer dan één Hongarije. Niet geografisch, maar wel cultureel. Er is het Hongarije van Orbán, bolwerk van Euroscepsis en conservatisme, een ‘illiberale’ staat waar de Ander geldt als vijand. Hier hoort men in Nederland genoeg over. Maar als een land zowel geografisch als cultureel zo ver weg ligt, dan worden het alledaagse leven van de bewoners en het andere geluid van de minder zichtbare intellectuele klasse door eenzijdige mediale berichtgeving grotendeels overstemd. Toch is er wel degelijk een ander Hongarije: het Hongarije van Péter Esterházy, Béla Bartók en Miklós Radnóti (van wie Cora-Lisa Sütő voor Terras #18 ‘Cariben’ werk vertaalde), een Hongarije waar over mensenrechten wordt gepraat, waar zowel mannen als vrouwen ‘nee’ zeggen tegen misogynie, waar duizenden gaan protesteren als een nieuwe wet hun vrijheid inperkt, en waar schrijvers – in de woorden van Mari Alföldy – ‘zich uitspreken voor compassie en solidariteit’. De door Alföldy en haar man Viacheslav Sereda (literatuurwetenschapper en vertaler Hongaars-Russisch) verzamelde korte verhalen en essays van hedendaagse Hongaarse schrijvers en dichters belichten juist dat ‘andere’ Hongarije, het Hongarije in protest, het Hongarije van in Nederland niet of nauwelijks vertaalde auteurs (alleen de tekst van László Krasznahorkai werd eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer en die van András Gerevich in Terras). Neem Ádám Nádasdy, die niet alleen bekend is om zijn vertalingen van de klassieken maar ook omdat hij een van de weinige openlijk homoseksuele figuren in het Hongaarse culturele leven is. Of János Háy en Krisztián Grecsó, die allebei over het leven op het platteland schrijven; een thematiek die onbekend is voor veel Hongaren zelf. Maar anders zijn in een kleine samenleving is een onderwerp waarover alleen lieden van de gemeenschap kunnen praten. Om wat meer achtergrond te verkrijgen over de eigenschappen van beide Hongaarse realiteiten is de tekst van György Konrád, ‘Over onze identiteiten’, het beste uitgangspunt. Hij plaatst een vraagteken bij het fenomeen nationale trots. Is nationaliteit meer dan de uiterlijke kenmerken van de mens? Heb ik meer gemeen met een tien jaar oudere Hongaar dan met een Nederlander van mijn leeftijd? In Konráds woorden: ‘Laat onze identiteit voor ons zijn als onze kleur ogen en ons geslacht, onze leeftijd en onze burgerlijke staat.’ Een dergelijke bundel is niet alleen een verzameling proza, maar ook een venster op een andere cultuur. Gelukkig voldoet de samenstelling van Alföldy en Sereda helemaal aan de verwachting om kennis te maken met de hedendaagse literatuur van het andere Hongarije. Het geluid van deze schrijvers is belangrijker dan ooit.

Uitgeverij Jurgen Maas | 2020 | Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy, Jannet Bosselaar, Rebekka Hermán Mostert, Antje Koelewijn, Cora-Lisa Sütő, Frans van Nes, Rob Visser en Rogier van der Wal | Nederlands | 239 pagina’s | € 19,95

 

K. Michel – & rol door

struikel je voorover, hou je dan slap / en rol dóór, luidt een van de adviezen die de dichter K. Michel ter harte neemt in het titelgedicht van zijn zevende bundel. Met nieuwsgierigheid en verbazing beschrijft hij zijn wereld, peinzend en onbekommerd, maar steevast optimistisch. Zoals de flaptekst vermeldt: ‘Waar (politiek) onheil onder ogen wordt gezien klinkt er toch een goed humeur in de gedichten door.’ Hij kruipt in het lichaam van een bankrover die in zijn vlucht pauzeert om een hond te aaien, voert een mini-toneelstuk op, rijgt een reeks wonderlijke observaties aaneen met als startpunt een veerboot die een ei legt. Michel is een kei in steeds met nieuwe ogen kijken en als lezer kijk je op elke pagina opnieuw verwonderend met hem mee. Al zullen we dat kijken nooit mooier kunnen dan de koe, zoals hij verwoordt in de reeks fragmenten getiteld Kintsugi (de Japanse kunst van het repareren van gebroken keramiek met goudlak).

‘tonggeklak 
schuchter en verbaasd kwamen de koeien naar het hek
mooier dan koeien kijken wordt er niet gekeken’

Atlas Contact | 2020 | 64 pagina’s | Nederlands | € 19,99

 

Zwemlessen voor later – klimaatpoëzie

In navolging van ‘Poets of the Planet’, een in Londen opgerichte gemeenschap van dichters die via hun poëzie strijden voor een klimaatvriendelijke wereld, initieerde dichter Moya De Feyter tijdens de lockdown eerder dit jaar de Klimaatdichters: een beweging van inmiddels 160 Vlaamse en Nederlandse woordkunstenaars. Dit najaar al verscheen bij Uitgeverij Vrijdag de eerste bloemlezing van dit collectief, Zwemlessen voor later. Een bundeling van nieuwe en eerder verschenen klimaatpoëzie in al zijn vormen, sommige zelfs voorzien van een QR-code waardoor sommige gedichten ook als voordracht of videopoëzie  te bekijken zijn. In een tijd van smeltende ijskappen, oprukkende woestijnen en stijgend kwik, is dit geen apocalyptische bundeling. Er gloort hoop, zoals de titel al in zich draagt, of zoals Saskia Stehouwer verwoordt in een gedicht: we warmden onszelf op / om de aarde te koelen.
En, ook niet onbelangrijk: de opbrengst van het boek gaat naar One World Tree Planting.

Uitgeverij Vrijdag | 2020 | Nederlands | De Klimaatdichters (red. Moya De Feyter, Annelie David, Saskia Stehouwer) | 192 pagina’s | € 20,-

 

Women in Concrete Poetry: 1959–1979

Concrete poëzie is een literair stiefkindje, waarvan maar weinigen lijken te betreuren dat het vooral iets van het verleden is. Dat schept ook ruimte om de geschiedenis ervan in kaart te brengen, en de bloemlezing Women in Concrete Poetry: 1959–1979 doet dat op voorbeeldige wijze. De focus in gender en tijd is scherp, maar biedt toch een enorme diversiteit aan werken. Bij de selectie en tijdsafbakening is ten dele voortgebouwd op een aantal door de Italiaanse kunstenaar, dichter en curator Mirella Bentivlogio (1922-2017) samengestelde tentoonstellingen, met name Materializzazione del linguaggio uit 1978 – de eerste tentoonstelling op de Biënnale van Venetië waar uitsluitend werk van vrouwen werd getoond (niet zonder slag of stoot overigens). Het is ook niet moeilijk te zien dat een groot deel van deze werken uitstekend tot hun recht zouden komen in een museale setting, gelet op het visuele primaat van veel gedichten; Bentivlogio zelf sprak niet voor niets van poesia visiva. Een antwoord op de vraag waar literatuur ophoudt en beeldende kunst begint wordt in het midden gelaten, maar uit de uitvoerige en nieuwsgierig makende biografische informatie is wel af te leiden dat al de 50 vrouwen van wie werk is opgenomen een heel eigen traject hebben bewandeld op dat gebied. Het zwaartepunt ligt bij werk van Europese dichters en kunstenaars, met een aanzienlijke vertegenwoordiging uit Noord- en Zuid-Amerika (onder meer Lenora de Barros, wier werk de cover siert, Anna Bella Geiger, Susan Howe en Rosmarie Waldrop) en een enkel uitstapje naar Azië (Chima Sunada). In hun inleiding wijzen samenstellers Alex Balgiu en Mónica de la Torre erop dat ze concrete poëzie meer als practice dan als movement zijn gaan beschouwen, waarbij ze in de door hen gekozen periode wel een duidelijke ontwikkeling waarnemen: ‘the shift from a focus on the objectification of language in the early concrete program to the materialization of language through bodies that activate the word on and off the page’. Deze mooie en zorgvuldige uitgave – die (waar nodig) ook vertalingen bevat en gebracht wordt als caleidoscoop en niet als manifest – werpt een weldadige hoeveelheid licht op een van de uithoeken van de literatuur- en kunstgeschiedenis.

Primary Information | 2020 | Engels (met vertalingen uit het Tsjechisch, Duits, Frans, Italiaans, Pools, Portugees, Russisch en Spaans) | samengesteld door Mónica de la Torre en Alex Balgiu | 384 pagina’s | € 26,99

 

Levin Westermann – Ovibos moschatus

Ovibus moschatus, de muskusos, leeft in het arctisch gebied. Ook de essays van de Duitse dichter Levin Westermann vestigen zich metterwoon in de Arctica, of keren er ternminste telkens weer naar terug. In het titelessay stelt Westermann de oeroude dieren tegenover dieren die de ijstijd niet hebben overleefd. Die uitgestorven dieren zijn verdwenen, ‘weggezonken in de tijd’, maar de muskusos blijft – dat stelde al Barry Lopez in Arctic Dreams. Bij gevaar vormen muskusossen samen een ondoordringbare kring om hun kalfjes heen; individuele dieren worden zo een eenheid. Weerbaar en gelijkmatig maar toch wonderbaarlijk is zo’n kring, en dat is ook van toepassing op het essay: naast de hoefdieren komen schaamte en schande aan bod, Sylvia Plath en haar relatie met Ted Hughes, en de zogenoemde confessional poetry. Het verband wordt duidelijk zonder dat er al te expliciet naar wordt verwezen. ‘Voor de schrijver Barry Lopez is landschap de bron van taal,’ staat in Julius Heine’s Schaduw werk. ‘Taal is niet “something man imposes on the land. It evolves in his conversation with the land.”’ Wat betekent dat voor een landschap dat zo onherbergzaam is als de Arctica? Wat voor taal komt er voort uit een landschap van ‘steenslag, rotsen en ijs?’ (Robert McGhee), een landschap waartegen weinig bestand is dat leeft, dat spreekt? Maar het ijs laat niet alleen wegzinken en verdwijnen maar conserveert ook: het schijnt in de hoge arctische toendra van Groenland mogelijk te zijn om zomaar iets op te rapen dat iemand 4000 jaar geleden heeft laten vallen – het landschap verandert minder snel door de schijnbaar eeuwige verstarring (torpor) waarin het zich bevindt. Op het moment dat een verhaal of de taal de regels van het ijs, en die van tijd en ruimte opheft, komt er weer beweging in, zien we een nieuw landschap en nieuwe uitkomsten verschijnen. Westermann brengt een op het eerste gezicht duister mozaïek in kaart dat zich al snel ontpopt als wegwijzer om op een nieuwe manier naar taal te kijken en naar haar vermogen nieuwe verbanden te leggen.

Matthes & Seitz Berlin | 2020 | Duits | 202 pagina’s | € 20,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen