Signalementen november 2020

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Robert Macfarlane & Stanley Donwood – Ness

‘Het is Drift. Drift nadert Ness. Drift schept werelden. Drift vormt zich terwijl hij langskomt.’ Kort na het veelgeprezen Underworld (Benedenwereld, 2019) verscheen dit jaar de vertaling van een nieuw boek van Robert Macfarlane: Ness, een co-creatie met kunstenaar Stanley Donwood. Macfarlane staat als boegbeeld van de Britse ‘nature writers’ vooral bekend om zijn essayistische boeken waarin landschap, cultuurgeschiedenis en de taal centraal staan. In zijn oeuvre neemt Ness qua vorm een bijzondere plek in: het is deels novelle, deels prozagedicht en deels toneelstuk. De titel verwijst naar een merkwaardige plek: de landtong Orford Ness voor de oostkust van Engeland, die door het Britse leger jarenlang gebruikt werd als militair testgebied totdat het terrein in de jaren negentig werd prijsgegeven aan de natuur. Dit heeft geleid tot een landschap dat volgens Macfarlane gevormd is door de botsing tussen de menselijke vernietigingsdrang en de natuur. Deze moderne mythe brengt dit gebied tot leven, geeft het vele stemmen, in de strijd tussen vijf natuurkrachten genaamd het, hij, ze, zij en als en de destructieve kracht van de mens. Door de wijze van vertellen, als gedicht, in liedvorm en dialoog, maar ook via de mysterieuze beelden van Donwood, leest Ness niet als een boek waarin de schrijver aan het woord is die contact met de natuur zoekt; hier zijn de natuurkrachten zelf aan het woord.

Athenaeum-Polak & Van Gennep | 2020 | Uit het Engels vertaald door Nico Groen | 89 pagina’s | € 15,-

 

Koleka Putuma – Collectief geheugenverlies

De Zuid-Afrikaanse Koleka Putuma (1993) was een van de vele ontdekkingen die we presenteerden in Terras #16 ‘Over de grens’. Alfred Schaffer vertaalde vijf van Putuma’s gedichten en prees in zijn inleiding ‘de woede, de tederheid, de trots, de directheid, de kwetsbaarheid, maar zeker ook de literaire vormgeving, de beelden, de verhalende en retorische kwaliteiten’ van haar debuutbundel Collective Amnesia (2017). Deze bundel is nu in zijn geheel vertaald door Ludo Abicht, die onder meer voor het dilemma kwam te staan wat te doen met het door Putuma gebruikte ‘womxn’. Abicht koos voor een noot om uit te leggen dat die ‘x’ een inclusievere notie van vrouwelijkheid mogelijk maakt, maar in zijn vertaling blijft hij niettemin bij ‘vrouw’ en ‘vrouwen’. Een netelige kwestie (het ontbreken van een voor de hand liggend alternatief in het Nederlands is natuurlijk meer dan vertalersproblematiek), die direct naar het hart van Putuma’s compromisloze en strijdlustig verwoorde opvattingen over politiek, taal, geweld en dichterlijke verantwoordelijkheid gaat. Ook de drie afdelingen waaruit Collectief geheugenverlies is opgebouwd – ‘Geërfd geheugen’, ‘Begraven geheugen’ en ‘Postmemorie’ – kunnen niet duidelijker zijn over de gewelddadige arena waarin Putuma zich begeeft: het strijdtoneel van de herinnering, waarbij niet alleen een onverwerkt verleden op het spel staat maar ook het overleven van het heden.

memoires van een slavin en queer persoon

ik wil niet sterven met de

handen omhoog

of

de benen open.

Dergelijke bijtende korte gedichten worden afgewisseld met epische verzen waarmee Putuma meer dan overtuigend bewijst over een lange adem te beschikken. En hoewel dit tegelijkertijd een bundel is waarin de nodige ademnood voorkomt, bestaat de slotstrofe niet voor niets uit negen maal ‘GERECHTIGHEID!’, in een steeds groter lettertype. Dit is poëzie van een overlever en een debuutbundel die torenhoge verwachtingen wekt. Daarbij beschikt Putuma ook nog over een sardonisch gevoel voor humor:

zo weet je dat je God bent

Al je trauma’s knielen en noemen je Verlosser.

PoëzieCentrum | 2020 | Vertaald uit het Engels door Ludo Abicht | 107 pagina’s | € 20,-

 

Yang Mu – ik kom van de zee

Met ik kom van de zee krijgt de Nederlandse literatuur er zomaar 73 gedichten bij van de Taiwanese Yang Mu (1940-2020), van wie eerder alleen een enkel gedicht in vertaling te vinden was in Het Trage Vuur. Tijdschrift voor Chinese Literatuur. Deze bundel beslaat een periode van ruim vijftig jaar, van 1958 tot 2011; voor de selectie, vertaling en inleiding van de gedichten zorgde Silvia Marijnissen, gastredacteur van Terras #13 ‘China’. Dankzij deze ruime keuze ontstaat er een goed beeld van de ontwikkeling van Yangs poëzie, die in de loop der jaren duidelijk heeft gewonnen aan complexiteit en breedte, met steeds meer aandacht voor historische en filosofische thema’s en reflecties op het schrijfproces. Qua vorm verrassen en variëren de gedichten ook vaker naarmate Yang zich losmaakt van een wat formele, soms bedeesde stijl. Constante blijft de prominente plaats die de natuur inneemt in zijn werk: landschappen, seizoenen en weersverschijnselen vormen vaak een dragende structuur voor de gedichten. De nuttige maar in aantal beperkt gebleven annotaties van Marijnissen verraden dat dit werk voor een westerse lezer vlot toegankelijk is, niet in het minst omdat Mu zich regelmatig beroept op voor ons vertrouwde namen als Yeats, Garcia Lorca of Philip Glass. Enkele gedichten adresseren met hun postkoloniale inzet de Nederlandse lezer in het bijzonder, zoals het in Amsterdam gesitueerde ‘Resumé’:

Zo kunnen we terugkijken:

afwachtend, met moeilijk op te geven affectie en een overdosis

onverschilligheid, hopeloze samenwerkingen uitproberend in

de immense tijdstroom van wroeging en verrukking, met bloed

en vlees, met taaie botten, met een poel van warm zweet,

met tranen die stiekem vallen als je ‘s nachts wakker wordt

en buiten voor het raam een wiegende wilgenschaduw ziet

– zo kijken we terug.

Alleen daarom al is het arriveren van Yang Mu in het Nederlands een aanwinst, waarbij de conclusie van het gedicht – ‘hoewel dit alles, / dit alles allang bewezen heeft dat het te laat is’ – gelukkig niet op deze poëtische oversteek van toepassing is.

Uitgeverij Vleugels | 2020 | Uit het Chinees vertaald door Silvia Marijnissen | 140 pagina’s | € 23,95

 

Henri Michaux – Elders. Drie denkbeeldige reizen

Aan Michaux-vertalingen (en -vertalers) ontbreekt het gelukkig niet in het Nederlands. Van de reisavonturen die hij in de jaren twintig en dertig beleefde kon de Nederlandse lezer bijvoorbeeld al kennisnemen in Barbaar in Azië (1976, vertaald door Frieda van Tijn-Zwart) en Ecuador (1985, vertaald door Ernst van Altena), maar in de oorspronkelijk in 1948 verschenen bundel Elders toont Michaux zonder omhaal van de werkelijkheid zijn ware aard als reiziger: ‘Achter wat er is heb je wat er net niet is, wat ernaar streefde te zijn, dreigde te zijn, en wat tussen de miljoenen “mogelijkheden” begon te zijn, maar zijn bestaan niet heeft kunnen voltooien …’ Piet Meeuse vertaalde de drie reizen met imaginaire bestemming – Groot Garabagne, het land van de Magie, Poddema – en schreef een nawoord waarin hij Michaux’ methode van de denkbeeldige reis van harte aanbeveelt ‘in deze tijden van de sprinkhanenplaag die massatoerisme heet’. Als conclusie van zijn verblijf in Groot Garabagne noteert Michaux dat men er ‘veeleer bestuurd [wordt] door het temperament van het ras dan door leiders’. Met het in kaart brengen van deze heftig uiteenlopende temperamenten begeeft de bundel zich ook ook op het terrein van de speculatieve etnografie, waarbij we – niet ongebruikelijk bij Michaux – heel wat nonchalante wreedheid voorbij zien komen. In het vastleggen daarvan bedient Michaux zich van iets wat je gerust objectiviteit kan noemen: deze reiziger geeft geen krimp. Meeuse vertaalde eerder ‘In het land van de Magie’ voor Tirade en fragmenten uit ‘Op reis in Groot Garabagne’ voor Raster, maar met een integrale vertaling in een bijzonder fraai uitgegeven editie is uitgeverij IJzer zo vriendelijk de lezer ook nog van het comfort van de eerste klas te voorzien op deze denkbeeldige reizen.

Uitgeverij IJzer | 2020 | Uit het Frans vertaald door Piet Meeuse | 187 pagina’s | € 25-

 

Daša Drndić –  Belladonna

Van de in 2018 op 71-jarige leeftijd overleden Kroatische schrijver Daša Drndić verscheen eerder in het Nederlands de documentaire roman Zonneschijn (2010, vertaald door Guido Snel). Een opmerkelijke hoofdstuk uit die roman, ‘Achter iedere naam schuilt een verhaal’, vormt een 100 pagina’s lange lijst met namen van 9000 gedeporteerde en vermoorde Italiaanse Joden. In Belladonna komt twee keer een dergelijke namenlitanie voor, van 1055 Joden die in oktober 1941 in het Servische Zasavica werden vermoord (17 pagina’s) en van 2061 Joodse, Roma- en Sintikinderen die tussen augustus 1942 en april 1943 uit Den Haag werden gedeporteerd (25 pagina’s). Het oproepen van deze namen tekent de gedreven inzet van Drndić om de herinnering levend te houden, maar demonstreert meteen ook de onmogelijkheid van deze opgave. Wat zegt een naam nou helemaal, zonder verhaal? Die spanning tussen het grote historische gebeuren en het individuele lotgeval als Stolperstein is pregnant aanwezig in Belladonna, zonder defaitisme: ‘Zorg goed voor je fragmenten. Een fragment kan een restant zijn van waaruit, en waarmee, de altijd riskante operatie begint om een verloren geheel te reconstrueren.’ Drndić beschikt over een bijzonder talent om veelal vergeten restanten op te diepen, zoals het Kladova-transport in de winter van 1939, waarbij Joodse vluchtelingen uit Oostenrijk en Duitsland hun poging Palestina te bereiken in Servië zagen stranden, of de naoorlogse operatie Black Tulip, die tot doel had in Nederland wonende Duitsers het land uit te werken, waarvan ook de ‘populaire, met meerdere prijzen bekroonde (links georiënteerde en geëngageerde) schrijver, journalist en jurist’ Geert Mak niet eerder had gehoord. Hoofdpersoon te midden van al deze historische scherven is de cholerische Andreas Ban, wiens lichamelijke verval plastisch beschreven wordt als een toenemende fragmentatie. De wijze waarop enkele personages uit Zonneschijn (en het boek zelf) een rol spelen in Belladonna suggereert dat we te maken hebben met vertakkingen van een oeuvre dat zich laat lezen als een omvangrijk fresco, waarvan we hopelijk nog meer te zien gaan krijgen.

Uitgeverij De Geus | 2020 | Uit het Kroatisch vertaald door Roel Schuyt | 440 pagina’s | € 22,50

 

Annie Dillard – De overvloed

De essays van Annie Dillard (1945) lijken stuk voor stuk te ontstaan vanuit de beleving. Er volgt vaak geen conclusie, er is enkel de waarneming en de constatering. En dat is meer dan genoeg, de essays zijn rijk aan mooie taal, waaieren hier en daar zeer prettig uit in soms onnavolgbare maar niettemin boeiende associaties en hebben een fijne zintuiglijkheid. Zoals in het essay ‘Huid’, waarin een kind de lichamen en de huid van haar ouders bekijkt. Het kind spreekt, namens haar soortgenoten: ‘Onze schoonheid was slechts afwezigheid van verval; hun schoonheid, als ze die bezaten, was niet passief maar verdiend.’ Zowel grappig als ontroerend is het uitstapje dat Dillard maakt met Allen Ginsberg en een delegatie Chinese auteurs naar Disneyland. Er zijn de verschillende culturele opvattingen over Mickey Mouse en de misverstanden vanwege de taalbarrière, en aan het eind is er de kwijtgeraakte Chinese toneelschrijver die, wanneer hij weer terecht is, ontroerd raakt door de ‘welgemeende opluchting en omhelzingen’ van de rest van de groep. De essays uit Pelgrim langs Tinker Creek (1974, in 2019 in vertaling van Henny Corver verschenen bij Atlas Contact) zijn nauwgezette registraties van veel dat leeft en beweegt rond haar huis; driehonderd vogels die een boom uit vliegen zonder een tak te beroeren, de vele levens in een klein stukje kreek, een kikker die wordt uitgehold door reuzenwaterwantsen. In ‘De wezel’ uit Teaching a Stone to Talk heeft Dillard een ontmoeting met een wezel, in wiens hersens ze kortstondig verblijft, en hij in de hare. Ze vraagt zich af wat zich zoal in de hersens van een wezel afspeelt. Ze concludeert dat de wezel zich laat leiden door noodzaak en de mens door keuze. ‘Ik zou willen leven zoals ik hoor te leven, net zoals de wezel leeft zoals hij hoort te leven: zonder pijn openstaan voor de tijd en de dood, alles opmerken, niets onthouden, met felle gerichte wil kiezen voor wat gegeven is.’

Atlas Contact | 2020 | Uit het Engels vertaald door Henny Corver | 256 pagina’s | Nederlands | € 24,99

 

Kreek Daey Ouwens – Guillaume

Er wordt weinig gesproken in de nieuwe bundel van Kreek Daey Ouwens en zoveel gezegd. Er is Guillaume en er zijn de ik en de wij die de zussen en broers zijn van de broer die als enige een naam heeft, die als enige afwijkt. Tegenover wie schuld wordt ervaren en berouw en veel liefde. Guillaume lijkt makkelijk te doorzien maar is de enige die je nooit helemaal zal kunnen begrijpen.

Wij denken:

Guillaume kan dingen die andere kinderen niet
kunnen, zoals gras eten, verdrietig zijn, in
gevecht gaan met Vader,

zichzelf aanbieden
als heftig
als vis, wanhopig rondzwemmend in een modderpoel,
gemakkelijk genoeg te pakken te krijgen.

In de bundel staat geen woord teveel, waardoor de lezer aan elke afzonderlijkheid een enorme hoop betekenis toekent. Als Guillaume een keer een l tekort komt (‘Dit is zoiets als wind / zuurstof op wieltjes / Guilaume midden in een zee’), dan zie je: er zit te weinig wind in het zeil, of er is te weinig zeil voor alle wind. Hij komt geen stap verder, hij is opgesloten in zijn anderszijn en in een trauma dat hem zijn hele leven zal begeleiden. Wat blijkt uit de epiloog maar ook uit de gedichten die eindigen op een komma: het verhaal van Guillaume is verteld maar Guillaume blijft verteld worden.

Wereldbibliotheek | 2020 | met illustraties van Ineke van Doorn | 80 pagina’s | € 20,99

 

Arnoud van Adrichem – Het failliet

See sun, and think shadow.’ Deze zin van Louis Zukofsky komt voor als motto in de meest recente dichtbundel van Arnoud van Adrichem, Het failliet. In zijn vorige bundel Geld (2015) vloeide de champagne nog rijkelijk maar kwam de brute deurwaarder al om de hoek kijken, het kon nog twee kanten op. Met het failliet is de balans definitief doorgeslagen naar de deemoed en drankzucht van de minder decadente soort, want: ‘Het failliet gebiedt / deemoed. Ja, een woord dat ruikt / naar graanjenever.’ In 2018 ging het bedrijf waar Van Adrichem werkzaam was failliet. Begin 2019 cureerde hij mede op basis van die persoonlijke ervaring een rijk nummer voor Dietsche, Warande & Belfort met als thema ‘Het failliet’. Waar hij in zijn stuk in DW B nog koos voor de prozaïsche benadering, is die met deze dichtbundel (waarvan een deel eerder in Terras #10 ‘Metalen’ verscheen) omfloerster geworden. Zoals Zukofsky’s motto al suggereert, lijkt het of het direct benoemen van het autobiografische bankroet, waar een stukgelopen relatie mee lijkt samen te vallen, te banaal zou zijn. In plaats daarvan schampt de dichter voortdurend zijn thematiek, door middel van talige krachtenvelden die voor de zon bewegen en zo hun tekstuele schaduwen werpen, want het is ‘onmogelijk om de zon aan te kijken.’ De pijnlijke ervaring van het failliet laat zich niet expliciteren maar houdt zich op tussen de regels, in de ‘bevende handen’ van een ‘gefailleerde’ die in een strandscène tienerlichamen beloert – alsof het financiële bankroet het morele failliet in de hand werkt. Geen wonder dat de gefailleerde in deze polyfone bundel stelt: ‘Ik wil niet weten wat er tussen de regels gebeurt.’ Het faillissement stroomt door de aderen van deze intrigerende, lichamelijke en bij vlagen broeierige bundel, die in zijn quasi-lichtvoetigheid soms in de verte doet denken aan Van Adrichems stadgenoot Arjen Duinker, met een mespuntje Mettes.

Atlas Contact | 2020 | 140 pagina’s | € 21,99

 

Dounia Mahammed & Roos Nieboer – panic & other attacks

 

‘Sometimes I feel it coming / and I try to hide from it […] I feel it hanging over us / and surrounding us / ever since we’re here.’ Die regels openen panic & other attacks van Dounia Mahammed en Roos Nieboer, de theatertekst van de gelijknamige voorstelling die 19 september dit jaar in première ging bij wpZimmer in Antwerpen. Net als eerder werk van Mahammed wordt ook hier de grens tussen drama en lyriek opgezocht. In het stuk wordt een wereld neergezet die op ons af komt. Het is alsof er een angst rondwaart die het lyrisch of dramatisch ik probeert te bezweren: ‘The water is not that dark / more blue-white coloured / It’s actually a very nice colour / No, this is no scary water at all.’ Paniekaanvallen als gevolg van de opdringerige wereld tieren welig over de pagina’s: ‘When panick attacks you: / don’t punch / and don’t panic.’ De ‘other attacks’ uit de titel nemen ongelijksoortige gedaanten aan: die van verkrachters, beren, leeuwen, haaien, lawines, en auto-mutilerende kinderen. Bij wijze van weerstand wordt in de bundel een absurdistisch getoonzette parodie op futiele zelfhulpretoriek uit de doeken gedaan. Als je wordt aangevallen door een ijsbeer, bijvoorbeeld, dan luiden respectievelijk de adviezen: ‘Good luck’, ‘Don’t act like a prey’, ‘Do act like a threat’, ‘Use bear-spray’, en als dat allemaal niet werkt: ‘Don’t give up.’ Tegelijk is de toon soms grimmiger, komt de aanval dichterbij: ‘A man you thought you knew / presses you against a wall / and won’t let you go / what do you do?’ Toch zou het tegen het opdelen van de wereld in eenduidige categorieën als dader, slachtoffer, goed, kwaad, onschuldig en angstaanjagend al te zeer tegen het eerdere werk van Mahammed ingaan. Ook in deze tekst wordt juist benadrukt: ‘Maybe scary people are not scary at all / Maybe nobody is […] Maybe the one attacking / Is the one being attacked / By something.’ Deze diepmenselijke theatertekst is als een lichtvoetig geritmeerde ruimte waarin ernst en ironie, politiek engagement en alledaagse banaliteit, levenslust en destructief geweld voortdurend in elkaar overvloeien.

De Nieuwe Toneelbibliotheek | 2020 | Engels (regie-aanwijzingen in het Nederlands) | 50 pagina’s | € 12,50

 

Nico Bleutge – Drei Fliegen. Über Gedichte

Nico Bleutge is een van de meest actieve en erudiete literatuurcritici in Duitsland, zelf dichter en in 2018 samensteller van Christoph Buchwalds reeks Jahrbuch der Lyrik. Drei Fliegen bevat essays en korte stukken over gedichten van de afgelopen 15 jaar. En zoals poëzie het gewone categoriseringsproces van denken en observeren buiten werking stelt, zo heeft ook Bleutge het over heel veel dat op het eerste gezicht niet zoveel met gedichten te maken heeft. Over vrachtschepen bijvoorbeeld en de lampjes waarmee ze hun positie aangeven. Of hij beschrijft minutieus zijn schrijftafel en hoe hij zich steeds opnieuw moet verhouden tegenover een stoel en de kerf die die heeft. Maar uiteindelijk slaagt hij erin om het ritme van een nieuw gedicht in de wijze te vinden waarop een wesp een mok in klimt.

Die Sensibilität eines Gedankens, das Spüren historischer Schichtungen, die Reflexion der Gegenwart, ein Wort, das plötzlich in der Landschaft steht, Gerüche, die von Ängsten umstellt sind, oder die Erfahrung, daß ein Gefühl ganz und gar von Denken durchsträhnt sein kann – all das ist im Gedicht möglich.

Mensen die over vliegen dichten: Hans Andreus (‘Er zaten eens drie vliegen / om het hardst te liegen’), Lucebert (denk aan zijn bundel Val voor vliegengod) of Ernst Jandl in zijn prachtige gedicht ‘die morgenfeier’. Kun je in slaap vallen terwijl je aan het plafond hangt? Kun je op het behang gaan wandelen? – Dat kan alleen een gedicht, concludeert Nico Bleutge. Intertekstualiteit, of interrealiteit, daar komt het op neer: geheugensplinters vallen samen met schilderijen vallen samen met gedichten uit verschillende taalgebieden en tijdperken. Alleen op die manier kunnen we lezen: uitgaande van alles dat we al en nog niet kennen.

C.H. Beck Verlag | 2020 | Duits | 327 pagina’s | € 24,-

 

Daniel Bergez (red.) – Écrire la mer

‘De zee bestrijkt twee derde van het aardoppervlak. Ze vormt evenzeer een continent in de literatuurgeschiedenis en vormt voor schrijvers een verbazingwekkend gevarieerde bron van inspiratie. Door haar suggestie van het oneindige, haar kolossale diepte, haar weerspiegeling van het oppervlak, haar schilderachtige charme of haar ontstellende vertoning resoneert de zee in het werk van schrijvers en biedt hen onuitputtelijk, levendig en organisch materiaal.’ Deze woorden zijn afkomstig uit de inleiding van Écrire la mer, een door literatuur- en kunstcriticus Daniel Bergez samengestelde bloemlezing waarin schrijvers en kunstenaars van de oudheid tot heden zijn verzameld die zich bij het maken van hun werk hebben laten inspireren door de zee. ‘De zee, dat is je spiegel,’ schreef Baudelaire al eens. Écrire la mer heeft de afmetingen van een kunstboek en de dikte van een robuuste roman – haast megalomane proporties dus. Het maakt deze prachtige uitgave tot een overvol boek, met per auteur ingeleide literaire teksten van onder meer Kaváfis, Pessoa, Proust, Valéry, Michaux, Woolf, Camus, en Le Clézio (en dat is alleen nog maar een selectie uit de sectie ‘XXe siècle’). Kunst is er ook in overvloed, van William Turner, Caspar David Friedrich, Georges Lacombe, maar ook van Gerhard Richter, Piet Mondriaan en Paul Klee. Achterin is voor de lezer die door wil lezen op het waterthema een bibliografie te vinden met de vele literaire uitgaven waaruit geput is. Die lezer staat het vrij dit monumentale boek te beschouwen als smaakmaker voor het najaarsnummer van Terras dat eind november uitkomt: Terras #19 ‘Naar water’.

Citadelles & Mazenod | 2020 | Frans | 512 pagina’s | € 219,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen