Signalementen februari 2020

Vanaf 2020 zullen op de blog van Terras maandelijks signalementen verschijnen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Heiner Müller – Shakespeare Factory

Het bij de Nieuwe Toneelbibliotheek verschenen Shakespeare Factory is de vierde bundel Heiner Müller-vertalingen die Marcel Otten aflevert. Tegelijkertijd is het deel twee van een tetralogie, want bij de Nieuwe Toneelbibliotheek zullen nog twee verzamelbundels verschijnen. Otten bestempelt het project als ‘een hommage aan een groot schrijver, een dierbare vriend en mijn theatervader’ in het nawoord van het in 2018 verschenen Eenzame teksten die op geschiedenis wachtenShakespeare Factory verzamelt de teksten naar (en soms over) Shakespeare die Müller in de loop der jaren produceerde. Uiteraard De Hamletmachine, maar net zo goed klein commentaar uit de hoeken en kieren van Müllers omvangrijke oeuvre. Het handzame boekje laat zich lezen als een voorbeeldige casestudy in de anxiety of influence, waarbij de lezer ook nog over de schouder van een genereus en trefzeker vertaler mag meekijken als deze het alleen als facsimile en transcript verschenen gedicht ‘Dear William’ reconstrueert. Deze eenzame tekst wachtte vooral op zijn vertaler.

De Nieuwe Toneelbibliotheek | 2019 | vertaald uit het Duits door Marcel Otten | 245 pagina’s | Nederlands |  € 12,50

 

David Markson – Wittgensteins minnares

Het in 1988 verschenen Wittgensteins minnares van David Markson (1927-2010) was volgens David Foster Wallace een van de vijf jammerlijk ondergewaardeerde Amerikaanse romans sinds 1960 (samen met Omensetter’s Luck van William Gass, Steps van Jerzy Kosinski, Angels van Denis Johnson en Blood Meridian van Cormac McCarthy). Zo’n weetje zou prima in dit door het duo Bindervoet & Henkes vertaalde postmodernistische romantraktaat vol culturele bric-à-brac passen. Het is een aanstekelijk boek. Lieke Marsman schrijft een nawoord. Dat is logisch, dacht ik, want Lieke Marsman is eigenlijk de eerste vertaler. Of misschien niet de vertaler, maar wel de eerste bewerker. Daar spreekt ze niet over in dat nawoord, maar als ze begint over ‘het hoge uitspreekbaarheidsgehalte’ van Marksons tekst, zegt ze het eigenlijk wel. Dat heeft ze namelijk proefondervindelijk vastgesteld door Laura Mentink in 2016 in het theater te zetten met deze tekst. Er zit een toneelstuk in de roman en dat heeft Lieke Marsman gezien. Door te bewerken hoefde ze niet alles te vertalen en kon de titel dus gewoon (en terecht) Wittgenstein’s Mistress blijven. Het is een aanstekelijk boek.

Van Oorschot | 2020 | vertaald uit het Engels door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet | 282 pagina’s | Nederlands | € 22,50

 

Robert Walser – De Tanners 

‘Taalverwildering’, met dat woord typeerde Walter Benjamin eens de ongrijpbare stijl van Robert Walser. Het is een rake typering van Walsers kronkelende, meanderende en tegelijk zuivere zinnen. Eind januari is in Nederlandse vertaling Walsers debuutroman De Tanners verschenen, waarin die ‘verwilderde stijl’ al te ontwaren is. De roman, die Walser in het korte tijdsbestek van zes weken schreef in Berlijn, verscheen in 1906. Walser heeft naar eigen zeggen nooit een regel in zijn schrijven verbeterd, en dat zou wel eens mede debet kunnen zijn aan de ritmische praatzucht waar zoveel van zijn personages, ook die in De Tanners, aan lijden. De Tanners verwijst naar de familienaam van drie broers en één zus: Simon, Kasper, Emil en Hedwig. De lezer volgt vooral het grillige levenstraject van de dolende Simon, die weigert zich vast te laten leggen in welk dienstverband dan ook: ‘het is nooit in me opgekomen om zoals zo vele anderen op een beroepssoort te willen uitrusten als op een springveermatras. Nee, dat krijg ik, ook al word ik duizend jaar oud, niet voor elkaar.’ Klaus is de ernstige, strenge broer die zich doorlopend zorgen maakt om Simon; Kasper Tanner heeft zich volledig aan de kunst gewijd; Emil is de enigszins doodgezwegen, ‘verborgen broer’ die in een krankzinnigengesticht is beland; en er is de zus Hedwig, die onderwijzeres is en haar broer Simon onderdak biedt op momenten dat hij zonder verblijfplaats is. Het uitzonderlijke van Walsers werk schuilt echter niet zozeer in de wederwaardigheden van zijn personages, als wel in de transformatie die hij ogenschijnlijke vanzelfsprekendheden laat ondergaan in zijn schrijven. Door goed waar te nemen haalde hij –in de woorden van Volker Michels- ‘de roest van het cliché’ af van triviale vanzelfsprekendheden, ‘ten einde aan dit vanzelfsprekende weer de schittering en taal terug te geven die ons als totaal nieuwe waarnemingen voorkomen.’

Koppernik | 2020 | vertaald uit het Duits door Machteld Bokhove | 326 pagina’s | Nederlands | € 22,50

 

Walter Benjamin – Kritische portretten

‘[K]ritiek is niet de beoordeling van het werk door een externe instantie aan de hand van criteria die er vreemd aan zijn, maar veeleer een reflectie op het werk op basis van de eigen elementen.’ Zo vat Thijs Lijster Walter Benjamins ‘kardinale principe’ van de immanente kritiek samen. Dat doe hij in de inleiding van een bij Octavo Publicaties verschenen bundel Kritische portretten, met daarin twaalf essays van Walter Benjamin over literatuur. De opzet van de bundel is gebaseerd op een boek met literatuuressays dat Benjamin ooit zelf wilde maken, maar dat nooit van de grond kwam. Nu is het er dan toch, min of meer. Een aantal van de opgenomen essays bestond reeds in Nederlandse vertaling, maar toch heeft het meerwaarde dat de essays nu bij elkaar in een bundel zitten. Dat heeft onder meer te maken met een ander idee van Benjamin ten aanzien van de literatuurkritiek, namelijk dat het de taak van de criticus is om door de principieel discontinue literatuurgeschiedenis heen ‘familiegelijkenissen en affiniteiten’ (Lijster) in kaart te brengen. Doordat Benjamins essays over bijvoorbeeld Robert Walser, Kafka, Gottfried Keller, Proust en Baudelaire nu gebundeld zijn, is zowel binnen de afzonderlijke essays als in deze bundel als geheel de kruisbestuiving tussen de auteurs te zien. Tot slot Benjamin zelf aan het woord, over literatuurkritiek: ‘Aan het oordeel van de recensent heeft de gezonde lezer maling. Maar wat hij ten diepste waardeert, is de mooie onzin van het onuitgenodigd meedoen terwijl de ander leest. Om het boek op zo’n manier open te slaan dat het lonkt als een gedekte tafel waaraan we plaatsnemen met al onze ideeën, vragen, overtuigingen, eigenaardigheden (…) – dat is kritiek. Of althans de enige die de lezer hongerig maakt naar een boek.’

Octavo Publicaties | 2020 | inleiding door Thijs Lijster; vertaling uit het Duits door Jan Sietsma | 272 pagina’s | Nederlands | € 24,50

 

Romain Graziani – L’Usage du vide

De wereld om ons heen is vaak zo oorverdovend aanwezig en verwarrend dat steeds meer mensen hun toevlucht zoeken tot mindfulness, yoga, hardlopen, zelfhulpboeken.  Dit in een poging iets terug te vinden van de oorspronkelijke rust die wij ergens nog in ons zelf vermoeden, en los te komen van de ambities, verlangens, plannen (van ons zelf of anderen) die ons telkens weer in een staat van paraatheid brengen. In de woorden van Romain Graziani worden wij aangestuurd door een ‘gespierde wil’, altijd op actie, output, slagen en succes gericht. In zijn L’Usage du vide (2019) analyseert Graziani, geïnspireerd door klassieke Chinese teksten en westerse filosofie, de manieren om het beste in onszelf naar boven te brengen door het willen juist los te laten en ons als het ware leeg te maken. Hoe vallen wij in slaap? Hoe komen we op een vergeten naam? Hoe dansen wij spontaan en met gratie? Wanneer zijn wij geestig? Wanneer zijn wij tot verliefdheid of geluk in staat? Toch veel eerder als wij onze Sturm und Drang hebben losgelaten dan wanneer al onze drift op het bereiken van deze zaken is gericht? De Chinese teksten, twee millennia oud, die Graziani openlegt zijn zonder meer fascinerend. Graziani’s analyses zijn daarbij lichtvoetig, stijlvol en elegant, alsof hij door eeuwen denken is aangeraakt. In Terras #18 ‘Cariben’ zal een uitvoerig essay staan van de hand van Henk Pröpper over Graziani’s boek.

Gallimard | 2019 | 272 pagina’s | Frans | € 21,-

 

Critique 2019/12: Adorno: suites françaises (n° 871)

In december 2019 is nummer #871 van Critique uitgekomen, het tijdschrift dat zich zowel op Franse als buitenlandse publicaties richt. Dit nummer staat geheel in het teken van het werk van Theodor Adorno. In de instructieve inleiding van Michèle Cohen-Halimi wordt de Franse receptie van Adorno uiteengezet. Het noemen van de Frankfurter Schule was volgens Cohen-Halimi lange tijd (en deels nog altijd) vooral een manier om het Franse lezerspubliek op afstand te houden – Herbert Marcuse en Walter Benjamin gelden daarbij als uitzondering, getuige de vroege Franse vertalingen die er van hun werk bestaan. In het geval van Adorno, daarentegen, spreekt Cohen-Halimi zelfs van ‘une non-réception active’. Die situatie bleef tot eind jaren ’60 voortduren. Pas vanaf de jaren ’70, dus na Adorno’s dood, werd onder invloed van het freudo-marxisme van Marcuse de deur geopend voor het politiek-sociale en esthetische denken van Adorno, maar ook van Horkheimer, Bloch, en Kracauer. Sindsdien is de aandacht voor Adorno’s werk blijvend gegroeid, met name in het afgelopen decennium. Dit nummer van Critique, waarvan de aanleiding het 50ste sterfjaar van Adorno is, laat zich volgens de inleider lezen als een echo van die heropleving in de Adorno-receptie. Naast de inleiding bevat het 96 pagina’s tellende nummer een essay over Adorno als brievenschrijver van de hand van Jacques-Olivier Bégot, een interview met Alexander Kluge over Adorno, en verder werk van Daniel Payot, Jean Daive, Martin Rueff, en Andrés Goldberg.

Les Éditions de Minuit | 2019 | 96 pagina’s | Frans | € 12,-

 

Nancy Hünger – Ein wenig Musik zum Abschied wäre trotzdem nett

‘Lezen maakt onzeker,’ luidt het motto van uitgeverij edition AZUR waar het werk verschijnt van Nancy Hünger. Duurzaam lezen betekent op onderzoek uitgaan en durven twijfelen, en Hüngers poëzie laat zich graag ondervragen, ondanks het anekdotische karakter van sommige gedichten. Bijzonder is ‘Trugen mich die Rehe’:

Ich habe alle Blätter verloren
als der Wind mich durchschoss
gab ich auch die herzförmigen
schönen und gelben gab
was ich noch besaß den Rehen
meine ganze Angst trugen sie
unter ihren labilen Rippen
mein entzündetes Fell über
die Berge weit weg sollte es
sein wo kein Schuss mehr
nur weit weg sollte es sein

– De melancholieke grondtoon slaat nooit om in sentimentaliteit, vaak doordat bepaalde elementen afstandelijkheid creëren die licht humoristisch getint is. Dit in combinatie met de muzikaliteit van de bundel maakt het geheel tot een waardevol onderzoeksobject waarin grote sprongen worden gemaakt, geografisch gezien en wat betreft aanwezig zijn en alsnog verdwijnen.
Net verscheen Hüngers nieuwe boek 4 Uhr kommt der Hund. Ein unglückliches Sprechen (proza).

edition AZUR | 2017 | 103 pagina’s | Duits | € 18,90

 

Franziska Füchsl – Tagwan 

Na haar bundel rätsel in großer schrift (2018) komt de Oostenrijkse Franziska Füchsl (1991) nu met een merkwaardig prozadebuut, dat bijzonder is vormgegeven. Een tekst die uiterst lichamelijk én puur op taal gericht is. In een staat van draaierigheid verkerend beschrijft de ik op de eerste bladzijden het kwijtraken en daarin ontdekken van haar lichaam, een traag proces waarbij de ik verdwaald raakt in allerlei details en tegelijkertijd ontstellend veel gebeurt binnen korte tijd. In het vloeibaar worden en onderdeel worden van haar omgeving (door observatie en fusie) wordt juist duidelijk dat er een strikte scheiding is tussen zelf en ander, dat ze niet bij een collectief hoort. Even paradoxaal is het gebruik van dialect en archaïsmen die op neologismen lijken omdat je niet kunt geloven dat ze bestaan, in deze combinatie althans, in zo’n klankgeweld, verbijsterend en tegelijk mooi en mild. In alle afdwalingen en duizelingen lijkt het verhaal vaak minder belangrijk te zijn dan het voortstuwende ritme van de tekst, de assonanties en de verrassende woordkeuze. Maar een inhoudelijk verband is er wel degelijk, de trektocht van de ik door een merkwaardige omgeving en het ervaren van je eigen lichaam laten een tegendraadse geest zien die evenals de andere personages onderdeel uitmaakt van een schelmentekst over het blootleggen van grotere en particuliere structuren en mechanismen.
Het is geen boek om snel te lezen, anders vervlakt de taal. Je gaat lezen met minder verwondering, accepteert wat er staat. Als je je niet meer verbaast over Füchsls proza, dan is het tijd voor een pauze. Nog nooit hebben we iemand zo over het niezen zien schrijven, nog nooit is een ui vloeibaar geworden.

Ritter Verlag | maart 2020 | 143 pagina’s | Duits | € 13,90

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden en Lisa Thunnissen. Vormgeving: Herman van Bostelen