Signalementen juni 2020

Sinds begin van het jaar verschijnen er op de blog van Terras maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Peter Gizzi – Archeophonica

Integraal vertaalde poëziebundels zijn een schaars goed: van de meeste dichters die in Nederlandse vertaling beschikbaar zijn, wordt een keuze gepresenteerd. Dat heeft natuurlijk voordelen, want veel dichters valt pas vertaling ten deel als ze een aantal bundels op hun naam hebben staan en dan biedt selectie de kans om verschillende stadia van een dichterschap te tonen. Maar daarmee blijft de dichter als bundelbouwer buiten beeld. De Amerikaanse dichter Peter Gizzi (1959) mag dus van geluk spreken dat er nu een hele bundel van hem is vertaald, nadat de Nederlandse lezer al kennis kon maken met zijn werk dankzij Mischa Andriessen (Terras #4 ‘Berlijn’) en Samuel Vriezen (Poetry International). Voor de vertaling van Archeophonics (2016) tekende Jan H. Mysjkin, die in het nawoord laat weten dat Gizzi hem op pad stuurde met de raad ‘Make it weird’. In Archeophonica draait het om klanken en om stemmen, ‘het archief in de mond’, om ‘Po-lyf-o-nie’, om een wereld die zich kenbaar maakt door geluid – en ook door licht, dat zich net zo lastig laat vastleggen, net zo in de lucht hangt. De bundel schakelt tussen akoestische vitaliteit (‘Ik maak geluiden, vergeet te sterven. Ik noem het leven, / die onmenselijke schelp in het oor’), de trillingen van een afbrokkelende wereld (‘De wereld vandaag / is slowcore, / een slepende / ritmesectie’) en het ontlopen van taalbederf (‘Ik heb er het land aan wanneer zinsbouw / me verbindt met de rijken’). En dat alles niet zonder een wonderlijk en broos utopisme: ‘Wanneer de wereld terugkeert zal het opgenomen klank zijn’.

Uitgeverij Vleugels | 2020 | Uit het Engels vertaald door Jan H. Mysjkin | Nederlands | 86 pagina’s | € 21,80

 

Gerda Blees – Wij zijn licht

De eerste die aan het woord is in Wij zijn licht, het romandebuut van Gerda Blees, is de nacht. De nacht die getuige is van het overlijden van Elisabeth, de oudste bewoner van Woongroep Klank en Liefde. In vijfentwintig hoofdstukken wordt getoond hoe het zover heeft kunnen komen. Elk hoofdstuk is er een ander personage aan het woord, een andere stem, van ʻde nachtʼ tot ʻde oudersʼ, van ʻde slowjuicerʼtot ʻde twijfelʼ. Blees geeft iedere stem zijn of haar eigen toon, ritme en visie op het gebeuren, de dood van Elisabeth. En niet alleen op het gebeuren, ieder hoofdstuk geeft een verdieping aan het verhaal en aan de personages die betrokken zijn bij het sterfgeval; de rechercheurs, de advocaat, de buren, de familie van het slachtoffer en de drie overige bewoners van Klank en Liefde. De verschillende stemmen zijn zeer overtuigend in stijl maar vormen daarnaast alsnog een sterk geheel, één verhaal. De enige uitzondering hierop is hoofdstuk zeventien, ʻWij zijn het verhaal…ʼ is een meta- hoofdstuk. Het verhaal snakt naar spanning in de roman, een onverwachte wending of meer achtergrondinformatie maar tevergeefs. ʻLangzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan.ʼ Alhoewel het hoofdstuk op het moment van lezen goed werkte, beïnvloedde het het lezen van de rest van het boek zodanig dat ook ik ging verlangen naar spanning en een onverwachte wending, een verlangen dat ik hiervoor nog niet had. Zou dit de bedoeling van de schrijver zijn geweest? En zo ja, waarom? Of is dit de onverwachte wending, dat ik na het lezen met deze vraag blijf zitten in plaats van met de vraag of iemand Elisabeth had moeten redden?

Podium | 2020 | Nederlands | 224 paginaʼs | € 21,-

 

H.C. ten Berge – In tongen spreken

Behalve in Biesheuvels verhalenbundel Duizend vlinders uit 1981 vinden we de titel van deze bundel terug in een gedicht uit de reeks ‘Veldnotities uit het souterrain’ die Ten Berge voor het Catacomben-nummer van Terras schreef – een prachtige combinatie uit poëzie en essay, over mollen en opgravingen en het oude, ‘ruwe’ sjamanisme. In een interview uit 2018 noemt Ten Berge ritme, ruimte, klank en adem, en compacte, geladen zinnen, beelden en taalfiguren als de belangrijkste ingrediënten van zijn gedichten. En die worden meer dan zichtbaar, voelbaar, in tongen gesproken:

Een spreken in tongen alsof de extase
nog aanhoudt,
de euforie niet bedwongen
en de ziel het vuur niet is ontwend –
alsof het water ons niet tot de lippen,
de taal onbeklad, het beeld
niet verbasterd, de geest
ongetemd en het zuivere lied
weer gezongen
Een spreken in tongen, terwijl de wereld
het leven vermaalt en zich
dansend, door niets meer geremd,
tot de wellust van het doden bekent –

Bij Ten Berge heeft het spreken in tongen niets te maken met glossolalie of de pinksterbeweging (die trouwens zeer informatieve filmpjes heeft opgenomen waaraan de volgende vraag ten grondslag ligt: ‘wat doet tongentaal nou eigenlijk precies voor je?’). Bij Ten Berge gaat het om de plek waar het leven van nu botst met oude mythes en met waargebeurde verhalen van lang geleden. En wie bepaalt nou eigenlijk wat bij welke categorie hoort?

Atlas Contact | juni 2020 | 107 pagina’s | € 21,99

 

Florette Dijkstra Rumoer

‘In zestig teksten laat Florette Dijkstra schrijvers en kunstenaars aan het woord. Dwars door tijd en ruimte vullen hun visies elkaar aan en betwisten ze elkaar.’ Dat valt te lezen op de achterkant van Rumoer. Dit tekstje roept meteen een tamelijk complexe filosofische vraag op: wat betekent het om een schrijver of denker aan het woord te laten? In haar rijke essaybundel houdt Dijkstra zich echter vooral bezig met een andere vraag, namelijk die naar het begin van kunst. Ze is geïnteresseerd in het creatieproces en bespreekt die  thematiek aan de hand van zo uiteenlopende figuren als Gertrude Stein, Homerus, Fernando Pessoa, Juan de Yepes, Georges Bataille, Margaret Mead en vele anderen. Het van eruditie getuigende geheel brengt een dialoog tussen kunst, filosofie en literatuur op gang, het nodigt uit tot het leggen van dwarsverbanden door tijd en disciplines heen.
Hoewel in het flaptekstje staat dat ze de besproken denkers aan het woord laat, citeert ze opmerkelijk weinig. Dijkstra kiest veeleer voor de parafrase, en je kunt je afvragen of dat de meest passende vorm is voor de inzet om juist het werk zelf aan het woord te laten. Is parafraseren tenslotte niet óók het uitdoven van de idiosyncratische stem van het besproken werk, het laten opgaan van die stem in een taal die aan het werk ‘oneigen’ is? Door haar stijl wekt Dijkstra de indruk vooral samenvattingen te bieden, waardoor soms moeilijk uit te maken is in hoeverre zij zelf iets toevoegt aan het besproken werk. Dat kan een retorische strategie zijn: door veelvuldig de vrije indirecte rede te gebruiken zou ze allicht willen illustreren hoe het denken van de ander naadloos kan overgaan in het eigen denken, hoezeer dus in elk schrijven een veelheid aan stemmen uit het verleden meespreekt. Dat laatste zou van haar bundel een vorm van terugschrijven maken, al neigt het soms misschien iets te veel naar overschrijven.

Uitgeverij IJzer | 2020 | Nederlands | 269 pagina’s | € 19,50

 

Emiliano Monge Het verschroeide land

‘Een requiem voor ons gehavende land,’ noemde Valeria Luiselli Het verschroeide land van de Mexicaan Emiliano Monge. De lezer die het apocalyptische landschap van Cormac McCarthy’s The Road (2006) niet duister genoeg was, zal vergenoegd zijn met dit sinistere boek van Monge. Die biedt in zijn roman een duister en verschroeid landschap, waarin criminele bendes illegale immigranten gevangennemen en verhandelen. In Het verschroeide land staan twee van die mensenhandelaren centraal, die overigens ooit zelf als gevangengenomen immigrant het niet bij naam genoemde land binnenkwamen en vervolgens zijn opgeklommen tot bendeleiders. Zoals wel vaker in dystopische fictie (Orwells 1984, Huxleys Brave New World, Zamjatins Wij) is het de liefde die uitkomst moet bieden in een desolate wereld. Estela, één van de twee mensenhandelaren, zegt tegen de ander, Epitafio, niet voor niets: ‘zonder jou heeft de planeet geen centrum meer… zonder jou kan alles overal zijn… louter afstand… louter niets.’ Dit zwelgen combineren Estela en Epitafio moeiteloos met de achteloze ontkenning van de menselijkheid van de gevangengenomen immigranten. Toch biedt de roman weerstand aan de verleiding om een simplistisch universum te schetsen waarin dader en slachtoffer probleemloos van elkaar gescheiden kunnen worden. Een gevangengenomen migrant wordt, als een soort kapo, ‘uitverkoren’ en tot opzichter van zijn medegevangenen gemaakt. Onder bedreiging met de dood participeert hij (met overgave) in het bendegeweld, maar onderneemt tegelijk een (mislukte) poging om immigranten te bevrijden zodra hij de ruimte krijgt. Het verschroeide land laat zich lezen als een poging om mensen (niet: de mens) te doorgronden in extreme situaties, en van dichtbij te bekijken hoe geweld binnen die kaders functioneert.

Wereldbibliotheek | 2020 | Uit het Spaans vertaald door Arie van der Wal | Nederlands | 365 pagina’s | € 24,99

 

Gianfranco Calligarich De laatste zomer in de stad

‘Uiteindelijk was dat wat ik had gewild, dus ging ik om vijf uur, het tijdstip waarop markiezinnen hun koets bestellen en uitgaan, naar haar toe’. Wie dat schrijft, is geen naïeve aanhanger van de romankunst. Schreef Calligarich een anti-roman? Nee, maar in De laatste zomer in de stad (1973) klinkt onmiskenbaar vormvermoeidheid door; Calligarich hield het schrijven van romans hierna dan ook zo’n veertig jaar voor gezien (in de tussentijd hield hij zich bezig met scenario’s voor Italiaanse B-films en televisieseries). De roman wordt gepresenteerd als een herontdekking, die een ‘treffend tijdsbeeld’ en een ‘wrang portret’ van Rome in de jaren zeventig zou schetsen. Daartegenover staat wel dat de lezer de weinig meeslepende hoofdpersoon-verteller Leo Gazzara voor lief moet nemen (zijn grapjes zijn flauw, zijn pogingen onderkoeld te klinken niet overtuigend). Gazzara’s affaire met de Proust-lezende Arianna doet soms denken aan de landerige romantiek uit een film van Antonioni, maar in het ondubbelzinnige einde rekent Calligarich een stuk resoluter af met zijn hoofdpersoon. Al op de eerste pagina merkt Gazzara op: ‘Als je het mij vraagt, had ik graag bedankt voor de ratrace.’ Voor het gestage maar onvermijdelijke afscheid van die ratrace ploetert hij deze roman door. ‘Opeens wist ik dat het tijd werd om weg te gaan. Dat deed iedereen, vroeg of laat. Eerste regel: geen uitzondering op de regel worden.’ Een afscheid met drie koffers volgt – een voor zijn kleren, twee voor zijn boeken: ‘Onder meer de oude onvermijdelijke Ulysses, de Moby-Dick in de vertaling van Pavese, Conrad en de goedkope uitgave van Gatsby, vergeeld maar nog steeds compleet; bovendien pakte ik Martin Eden, Nabokov, de oude Hemingway en de gedichten van Eliot en Thomas, Bovary, De wereld van gisteren, Chandler en Durrell, The Alexandria Quartet, Shakespeare en Tsjechov. Allemaal in twee koffers.’

Wereldbibliotheek | 2020 | Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm | Nederlands | 175 pagina’s | € 20,-

 

Kate Tempest – Tiresias (Hold Your Own)

Kate Tempest, dichter, toneel- en romanschrijver maar vooral bekend als spoken word artiest, schreef Hold Your Own (de oorspronkelijke titel van Tiresias) in 2014. De bundel is nu vertaald naar aanleiding van de voorstelling Tiresias van het Toneelhuis in Antwerpen, die helaas uitgesteld moest worden maar hopelijk binnenkort alsnog haar première beleeft. In het lange openingsgedicht vertelt Tempest het verhaal van Tiresias, de ziener uit de Griekse mythologie. Omdat hij zowel vrouw als man is geweest, vragen Hera en Zeus zijn mening over hun man/vrouw-ruzie. Tiresias beslecht deze in Zeusʼ voordeel en Hera rukt hem zijn ogen uit. Als “goedmakertje” geeft Zeus Tiresias ʻeen klare zienersblikʼDe teksten over Tiresias zijn een opmaat voor de andere, vaak autobiografische gedichten met de terugkerende thematiek als genderstereotypering, blindheid versus zien en de overeenkomst tussen mensen en goden. In de bundel Brand New Ancients uit 2013, waarvoor ze de Ted Hughes Award won, beschrijft Tempest mensen als de goden van deze tijd:

The Gods are all here.

Because the gods are in us.

Dit zien we terug in Tiresias, waar Tiresias geen oud Griekse figuur is maar een jongen van vijftien die op weg naar school luistert naar Wu-Tang:

Koptelefoon.

Jointpeuk van gisteren tussen de lippen.

Bassen zo luid dat het voelt als een film.

Sloffend op sneakers.

Zwaaiende heupen.

Het is de vertalers Gaea Schoeters en Johanna Pas goed gelukt de woorden ook in het Nederlands van het papier te laten komen, het ritme dringt zich aan je op, de noodzaak klampt zich aan je broekspijpen vast.

Toneelhuis en PoëzieCentrum | 2020 | Uit het Engels vertaald door Gaea Schoeters & Johanna Pas | Nederlands |  136 paginaʼs | € 15,-

 

DW B, Jaargang 165, nummer 2 ‘Het oerboek: portretten van de schrijver als jonge lezer’

‘Door één raadselachtige en vermoedelijk rituele handeling van de werkster had ik geleerd letters en woorden in te drinken zonder enige tussenkomst van een interpreterend verstand, dat immers nog bij lange na niet was gerijpt – laten we zeggen dat ik een jaar of vier oud was.’ Dat schrijft Anneke Brassinga in ‘Mijn Oerboek’, een kort stuk waarin ze beschrijft hoe de werkster haar als kind een handje hielp bij het ontdekken van het lezen. Dankzij de werkster belandde Brassinga als kleuter in het universum van Winnie-the-Pooh, wiens ‘scepticisme en zijn besef van intellectuele onvolkomenheid’ ze onmiskenbaar in haar eigen werk terugvindt, zoals ook het ‘celebreren van de ongewisheid’ daarin een doorwrocht fundament vindt in de figuur van Pooh.
Brassinga was een van de dertien schrijvers die desgevraagd op zoek gingen naar hun ‘oerboek’. De dertien stukken samen vormen het rijkgeschakeerde dossier ‘Het oerboek: portretten van de schrijver als jonge lezer’, dat de kern uitmaakt van de jongste uitgave van Dietsche Warande & Belfort. Arnoud van Adrichem cureerde het dossier en schrijft in zijn inleiding: ‘Vast staat dat een niet onaanzienlijk aantal auteurs hun vroegste leeservaringen als een of zelfs dé kiem voor hun schrijverschap beschouwt.’ Voor het dossier vroeg Van Adrichem Vlaamse en Nederlandse auteurs uit verschillende generaties om hun ‘jonge lezende ik te portretteren.’ Naast Anneke Brassinga schreven onder meer Rob van Essen, Christophe Van Gerrewey, Marc Kregting, Ruth Lasters en Wytske Versteeg over hun oerboek.

Uitgeverij Vrijdag | 2020 | Nederlands | 115 pagina’s | € 15,-

 

Joseph Ponthus À la ligne

‘Ik schrijf zoals ik denk aan mijn productielijn. / (…) Ik schrijf zoals ik werk / Aan de lopende band.’ Dat zijn enkele programmatische regels uit de eerste pagina’s van À la ligne, de debuutroman van Joseph Ponthus (1978), waarvan de ondertitel luidt: feuillets d’usine, aantekeningen uit de fabriek. Het boek draait om een uitzendkracht die in een visverwerkingsbedrijf werkzaam is en daar uitentreuren dezelfde repetitieve, maar daarom niet minder uitputtende handelingen verricht. In het boek worden de geuren, de kou, het kabaal en de kilte van de fabriek zintuiglijk beschreven. De herhaling van het werk staat de hoofdpersoon toe voortdurend af te dwalen in zijn gedachten. Die gedachten variëren van kritische reflecties op het kapitalisme tot ontroering bij de gedachte aan het werk van Dumas, en van de poëzie van Apollinaire tot parabels van Claudel. Het herhalende karakter van de productieketen is ook ritmisch in het boek doorgedrongen: de bladspiegel toont korte, afgebroken zinnetjes die staccato mee lijken te deinzen op het fabrieksritme, dat voortdurend onderbrekingen in steeds weer hernomen gedachtes lijkt te veroorzaken.
Écrire le travail’ –  zo typeerde Ponthus de inzet van zijn roman begin dit jaar in een artikel: ‘Ik geloof dat schrijven over het werk voor mij altijd zowel een mogelijkheid is geweest alsook een manier om dat verdomde ding te sublimeren dat ons verplicht een wekker te zetten en taken te verrichten die ons doen walgen.’
À la ligne verschijnt deze zomer in vertaling bij de Arbeiderspers als Aan de lopende band.

Éditions La Table Ronde | 2019 | Frans | 266 pagina’s | € 18,-

 

Anne Carson – Thirteen Ways of Looking at a Short Talk

De Canadese Anne Carson schrijft tussen poëzie, proza, essay, vertaling, toneel en non-fictie in. Thirteen Ways of Looking at a Short Talk, de vijfde ‘Berliner Rede zur Poesie’ van 2020,  bestaat uit dertien korte speeches waarin Carson onder andere de Aristotelische ‘freshness of metaphor’ verweeft met een relaas over de Oud-Griekse dichter Alcman die volgens Carson dezelfde notie van het potentieel van de vergissing volgt als Aristoteles en met opzet een grammaticale en daardoor rekenfout in zijn gedicht heeft geplaatst, wat haar wederom tot de volgende uitspraak brengt: ‘But as you know, the chief aim of philology is to reduce all textual delight to an accident of history.’ Behalve excursies naar de Oudheid en Carsons eigen jeugd komen we ook Christiane tegen, de zus van Hegel, in ’10. Short talk on Hegel’s sister Christiane who described herself as a small parcel that people wanted to wrap up and ship away’. Na de bruiloft van haar broer staat ze op straat, een rare blauwe lucht om haar heen, de maan schijnt. Ze kijkt de koets van het bruidspaar na, ze wilde nog wat tegen haar broer zeggen maar dat kwam er niet van.
De speech werd gehouden tijdens het digitale Berlijnse poëziefestival en kan nog steeds beluisterd worden.

Wallstein Verlag | tweetalig Engels/Duits | Duitse vertaling: Anja Utler | juni 2020 | 52 pagina’s | € 13,90

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Lisa Thunnissen. Vormgeving: Herman van Bostelen