Signalementen oktober 2020

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Hans Joachim Schädlich – Felix & Felka

Het is even geleden dat er voor het laatst iets van Hans Joachim Schädlich naar het Nederlands werd vertaald. Voor het laatst verscheen in 1991 de verhalenbundel Oostwest-Berlijn bij Meulenhoff. Aan die droogte is met Felix & Felka, de vierde vertaling van zijn werk naar het Nederlands, een einde gekomen. Schädlich, wiens werk eind jaren ’70 niet door de DDR-censuur heen kwam waarop hij naar West-Duitsland uitweek, stelt in deze roman het kunstenaarskoppel Felix Nussbaum en Felka Platek centraal. Beide zijn in 1933 werkzaam in Rome, in de Villa Massimo, als Felix door een collega wordt beschuldigd van diefstal van een idee voor een schilderij en fysiek wordt aangevallen – uit alles blijkt dat het hier om een antisemitisch incident gaat. Felix en Felka besluiten Rome de rug toe te keren, maar kunnen als respectievelijk Duitse en Poolse jood niet terugkeren naar Duitsland. Ze belanden in Brussel, waar ze James Ensor en Hermann Kesten ontmoeten, maar ondanks hun steun bij het verkrijgen van een verblijfvergunning belanden ze uiteindelijk in een SS-kamp te Mechelen, vanwaar ze naar Auschwitz worden gedeporteerd. De tragiek van het ongeleefde restant van hun leven wordt pijnlijk voelbaar.

Met dit boek heeft Schädlich zonder meer een hommage willen brengen aan de twee joodse kunstenaars. De middelen die hij inzet zijn uiteenlopend: de eerste pagina’s van de roman lijken eerder op toneelteksten, met lichtvoetige dialogen, die door het thema toch ernstig blijven, en spaarzame beschrijvingen. Gaandeweg voegt zich daar een epistolaire laag bij: met name Felix schrijft aan zijn ouders in Duitsland, en aan een galeriehouder in de Verenigde Staten. Richting het einde wordt er een historiografische, documentaire dimensie aan het boek toegevoegd. Zo citeert Schädlich lustig uit kampdagboeken van andere gevangenen en put hij uit historische bronnen. De foto’s en bibliografie achterin bekrachtigen deze documentaire inslag van deze meerstemmige en onvergelijkelijke roman.

Uitgeverij Oevers | 2020 | Uit het Duits vertaald door Gerda Baardman en Anke Frerichs | Nederlands | 213 pagina’s | € 19,95

 

Tomoka Shibasaki – Lentetuin

De titel van deze bescheiden roman verwijst naar een gelijknamig fotoboek waarin een regisseur van reclamespots en een actrice bij een klein theatergezelschap hun opmerkelijke ‘hemelsblauwe’ huis in Tokio uitvoerig en smaakvol hebben vastgelegd. Het fotoboek is van twintig jaar terug, de regisseur en de actrice zijn inmiddels uit elkaar maar het huis staat er nog. Tegenover dit opmerkelijke huis bevindt zich het flatgebouw View Palace Saeki III, dat over niet al te lange tijd tegen de grond gaat en dus langzaam leegloopt. Een van de laatste bewoners heeft door dit fotoboek een obsessieve belangstelling voor het huis ontwikkeld en slaagt erin een jongere flatgenoot, Taro, mee te nemen in haar obsessie en pogingen om dit huis binnen te komen; een vriendschap met de huidige bewoners, met name de eenzame vrouw des huizes, biedt haar die kans. Taro, voormalig kapper en niet lang geleden gescheiden, moet voor de hoofdpersoon van deze roman doorgaan, maar hij staat veelal langs de zijlijn. Met Lentetuin schreef Shibasaki (1973) een melancholische, indringende stadsroman, waarin van oude moderniteiten afscheid wordt genomen en de sluimerende intensiteit van foto’s, huizen en bomen moeilijk te weerstaan is voor de dolende personages.

Zirimiri Press | 2020 | Uit het Japans vertaald door Luk van Haute | Nederlands | 125 pagina’s | € 19,50

 

Ingeborg Bachmann – Oorlogsdagboek, met brieven van Jack Hamesh

Afgelopen voorjaar verscheen het Oorlogsdagboek van Ingeborg Bachmann in Nederlandse vertaling. Wie er vanuit gaat dat die titel de inhoud van het volledige boek dekt, komt echter bedrogen uit. De uitgave bevat inderdaad een dagboek van Bachmann dat uiteenvalt in twee delen: het eerste beschrijft de laatste maanden van de nazi-heerschappij in Klagenfurt; het tweede de bevrijding van Ober-Vellach en de ontmoeting met Jack Hamesh, een Oostenrijkse jood die in 1938 met een kindertransport in Palestina wist te geraken en later in het Britse leger terechtkwam. Het dagboek houdt na 18 pagina’s echter op. Dan volgen de brieven van Hamesh aan Bachmann, die hij schreef vanaf het moment dat hij in juni 1946 uit Oostenrijk opnieuw naar Palestina vertrok, tot in de loop van 1947. Ook die beslaan slechts 40 pagina’s. De rest van de uitgave bestaat uit voor- en nawoorden van Hans Höller, Oostenrijks hoogleraar germanistiek en filologie, en de (helaas afgelopen zomer overleden) vertaalster Machteld Bokhove.

Bachmann en Hamesh leerden elkaar kort na de bevrijding van Oostenrijk kennen. Hoewel Bachmann hem eerst beschrijft als ‘klein en nogal lelijk’, vinden ze elkaar uiteindelijk toch in hun lectuur van Thomas Mann, Stefan Zweig, Arthur Schnitzler en Hugo von Hofmannsthal. Hamesh kwam vaak over de vloer bij het gezin Bachmann, ook toen de vader Matthias -een nazi-officier- na zijn kortstondige krijgsgevangenschap terugkeerde. Juist Ingeborgs distantiering van het oorlogsverleden van haar vader maakte dat zij voor Hamesh een bron van hoop was, zoals Bachmann dat ook voor Celan was, die in het aan Bachmann gewijde gedicht “In Ägypten” schreef dat zij voor hem de levensgrond was, ‘ook omdat jij de rechtvaardiging van mijn spreken blijft.’ De brieven van Hamesh documenteren zowel diens persoonlijke en amoureuze verhouding tot Bachmann, alsook de vroege jaren in Palestina. Dat maakt de brieven als document boeiend, zoals ook deze uitgave als geheel vooral in documentair opzicht en als ondersteuning van het werk boeiend is. Het stelt bovendien de verder nauwelijks te traceren figuur van Hamesh aanwezig in de geschiedenis. Hans Höller citeert in zijn uitvoerige (en ietwat hagiografische) nawoord het antwoord dat hij kreeg op de vraag of hij de brieven van deze onbekende Hamesh wel in de openbaarheid had moeten brengen: ‘Wie had zich zonder dat boek ooit om de geschiedenis van deze man bekommerd.’

Koppernik | 2020 | Uit het Duits vertaald door Machteld Bokhove | Nederlands | 127 pagina’s | € 22,50

 

Sam Shepard  The One Inside | Die Vanbinnen

The One Inside verscheen in 2017, hetzelfde jaar dat acteur, (toneel)schrijver en scenarist Sam Shepard overleed. Het boek is een verzameling scènes, anekdotes, gedachteflarden, monologen, dialogen, dromen en herinneringen. Er is een vader die in herinneringen van de ik-persoon tot leven gewekt wordt, maar in zijn hallucinante dromen een tot twintig centimeter gekrompen lijk is dat, strak in plasticfolie gewikkeld, met andere miniatuurmensen rond gezeuld wordt door mannen die eruitzien als Italiaanse maffiosi. Er is de jonge minnares van zijn vader, die ook hem, de zoon verleidt tot seks. Er zijn andere vrouwen. Er is het verhaal van Heinrich von Kleist en Henriette Vogel die samen zelfmoord pleegden. Shepard beschrijft het landschap van New Mexico, autoritten door de woestijn en door kleine dorpjes. ‘We kwamen door Bernadillo, waar mijn vader vermoord was, en ik herinnerde me een geweldig café, genaamd The Range, waar je nog steeds groene chili en eieren kon krijgen, maar we hadden al gegeten.’ De korte hoofdstukken en losse fragmenten vinden via het hoofd van de verteller hun juiste plek in het verhaal.

Patti Smith schrijft in het voorwoord dat de verteller van plan is ‘gewoon te blijven leven tot hij dood gaat’.  De verteller zelf verzucht, wanneer hij met een bloedneus die niet stopt met bloeden wordt opgenomen in een ziekenhuis: ‘Weer probeerde ik de buitenwereld duidelijk te maken dat ik gestrand was, dat ik geen idee had wat ik aan het doen was, waar ik naartoe ging, wie die mensen om me heen waren. Weer luisterde niemand of ze deden net alsof ze het begrepen terwijl dat niet het geval was.’

Uitgeverij Nobelman | 2020 | Uit het Engels vertaald door Gerrit Brand | 206 pagina’s | Nederlands | € 22,95

 

Eduardo Halfon – Duel

Nadat in 2019 De Poolse bokser verscheen, is nu met Duel een tweede vertaling naar het Nederlands verschenen van de Guatemalteek Eduardo Halfon (1971) – beide boeken werden vertaald door Lisa Thunnissen. In het proza van Halfon wisselen narratieve stuwbewegingen en introspectieve bespiegelingen elkaar af, heden en herinnering vormen een nauwelijks te ontrafelen geheel, en kosmopolitische ontheemding dringt meer dan eens door in Halfons tastende, spoorzoekende taal. Halfon is weliswaar geboren in Guatemala, maar laat geen kans voorbij gaan zich van zijn geboorteland te distantiëren, zo ook in Duel niet: ‘Ik weet niet waarom het altijd moeite kost om mensen, en zelfs mezelf, te overtuigen dat ik Guatemalteek ben. (…) Ik laat ook geen mogelijkheid voorbijgaan om afstand te nemen van het land, zowel letterlijk als literair gezien. Ik ben in het buitenland opgegroeid. Breng lange periodes door in het buitenland.’ Van dat laatste (en misschien ook het eerste) is Duel zonder meer een illustratie, want het boek staat vol reisverhalen.

Het is dan ook bepaald niet verwonderlijk dat de openingszinnen van de bundel als volgt luiden: ‘Vanuit de trein keek je uit op het eindeloze blauw van de zee. Ik was nog steeds doodop, geradbraakt door de trans-Atlantische nachtvlucht naar Rome, maar door simpelweg naar de zee te kijken, die eindeloze, blauwe Middellandse Zee, vergat ik alles, vergat ik zelfs mezelf.’ Halfons bezoek in het openingsverhaal leidt naar een Italiaans concentratiekamp in Calabrië (Mussolini liet er in 1940 vijftien bouwen in Italië, lezen we verderop in het verhaal), en ook dat is niet bepaald toevallig, want de Holocaust lijkt bij Halfon nooit ver weg. Zo keert ook Halfons grootvader uit De Poolse bokser in dit openingsverhaal terug, als de verteller meedeelt dat men in Italië wil dat hij het verhaal over zijn grootvader in Auschwitz nog eens uit de doeken doet, en verderop in het boek nog eens. Het is lovenswaardig dat de Wereldbibliotheek ook dit tweede boek van Halfon heeft willen brengen, en als ze de inhaalslag willen voortzetten, dan is er met grofweg vijftien onvertaalde boeken materiaal te over.

Wereldbibliotheek | 2020 | Uit het Spaans vertaald door Lisa Thunnissen | Nederlands | 189 pagina’s | € 21,99

 

Thalia Field & Abigail Lang – Leave to Remain. Legends of Janus

Na het op Gertrude Stein geïnspireerde ‘lyrische essay’ A Prank of Georges (2010) is Leave to Remain de tweede samenwerking tussen romanschrijver en dichter Thalia Field en vertaler Abigail Lang. Ook in dit boek waart iets van de geest van Stein rond, maar meer nog die van Marcel Duchamp, die een centrale rol vervult in een van de hoofdstukken. Leave to Remain is cryptisch en kortaf, soms volslagen onnavolgbaar, en cirkelt rond de thematiek van de Romeinse god met twee gezichten, Janus. Met Janus als vetrekpunt gaat het over van alles en nog wat waar een zweem van dubbelheid omheen hangt: bruggen, vertalen (in het bijzonder faux amis), spionnen, readymades, oorlog, paranoia, zonnevlekken, de motieven van Judas… Dankzij de vele afbeeldingen is bijna iedere pagina ook een hybride geheel. Een essay is Leave to Remain niet, het doet eerder – ook vanwege het handzame formaat – denken aan een notitieboekje, waarin gedachtegangen van de ene naar de andere auteur worden gegraven. Hoe de lezer zich daar nog tussen kan wurmen, is misschien de voornaamste vraag die dit zeer onmodieuze boek opwerpt. Twee of drie, dat maakt immers een wereld van verschil.

Dalkey Archive Press | 2020 | 133 pagina’s | Engels | € 22,95

 

Tijdschrift Filter, 27:3: ‘Vertaalmemoires & een bijzondere hommage’

‘Fraai zongen ze, de jonge vertalers, in het vorige nummer. Nu zingen veertien van hun voorgangers, over hoe het was om het vertaalpad te breden.’ Dat staat op de achterkant van de meest recente uitgave van tijdschrift Filter. De ‘vertaalmemoires’ worden echter gepreludeerd door een essay van dichter, romancier en Terras-oprichter Erik Lindner, die een hommage brengt aan de in 1956 uit Hongarije gevluchte Pilinszky-vertaler Erika Dedinszky, die na een busongeluk de brui gaf aan haar werk als vertaler, waarmee de receptie van Pilinszky in Nederland een halt werd toegeroepen. In twee recente Terras-nummers kreeg die receptie een vervolg, mede in de vorm van een co-vertaling van Pilinszky’s poëzie door Lindner en een (soms wild gebarende) Hongaarse kompaan.

Na het openingsessay volgen veertien vertaalmemoires, waaronder een episodische terugblik van Mariolein Sabarte op haar carrière. Aan de hand van de roman De diepe rivieren van Arguedas beklemtoont ze hoezeer bepaalde boeken verweven zijn met een land, en hoe belangrijk het is in dat land geweest te zijn, wil je zo’n boek kunnen vertalen. Als er toch nog vragen resteerden, dan waren auteurs als José Donoso, Carlos Fuentes en Julio Cortázar graag bereid een helpende hand toe te steken. Zo kwam Cortázar eens van Parijs naar Amsterdam om Sabarte en collega Barber van de Pol bij te staan in hun vertalingen van respectievelijk Bouwdoos 62 en Rayuela. Vertaalster Els van der Pluijm, die zich de afgelopen decennia heeft toegelegd op het vertalen van het werk van Roberto Calasso, onderstreept dat vertalers ook een conserverende functie met betrekking tot de taal kunnen hebben, ‘al mag dat nooit doel op zichzelf worden’. Zo kwam ze bij het vertalen van het woord gramigna het Nederlandse ‘handjeskruid’ tegen. Ze kon de verleidingen van dat aanlokkelijke woord niet weerstaan en gebruikte het in haar vertaling, want ‘zo’n leuke naam mocht niet verloren raken.’ Verder bevat dit Filter-nummer bijdragen van o.a. Gerard Koolschijn, Irina Michajlova, Mirjam de Veth, en Mari Alföldy.

Vantilt | 2020 | 64 pagina’s | Nederlands | € 10,-

 

TRIMARAN #2, 2020

TRIMARAN is een tijdschrift voor poëzie uit Vlaanderen, Nederland en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Nadat het eerste nummer (zomer 2019) goed werd ontvangen, werd al snel bekend gemaakt dat er een nieuw nummer in de maak was dat nu net is verschenen. Naast essays over gebarenpoëzie, poëzie en activisme en de onmogelijkheid om lijstjes te maken bevat het tweede nummer poëzieduetten tussen Sonja vom Brocke en Maria Barnas, en Jürgen Nendza en Peter Holvoet-Hanssen waarin de dichters elkaar vertalen en over elkaars werk schrijven. Alle essays en gedichten worden tweetalig opgenomen, waardoor het tijdschrift het samenwerkingsproces zichtbaar maakt tussen de dichters, de vertalers en de redacteuren. Verder worden dichtbundels getipt en is er een overzicht te vinden over recent verschenen vertalingen. Vooral Janita Monna geeft in haar essay ‘Dromen in de taal van de voormalige eigenaar’ (vertaald door Gregor Seferens die een cameo heeft in het komende Terras-nummer #19 ‘Naar water’) een waardevol overzicht over een aantal hedendaagse Nederlandse dichters. Voor de Duitse lezers en uitgevers (en lezende uitgevers) een rijke inspiratiebron voor de komende tijd.
Het tijdschrift staat onder redactie van Patrick Peeters, Victor Schiferli, Stefan Wieczorek en Christoph Wenzel.

Lilienfeld | 2020 | 140 pagina’s | Duits/Nederlands | € 15,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden en Renée van Marissing. Vormgeving: Herman van Bostelen