Signalementen mei 2020

Sinds begin van het jaar verschijnen er op de blog van Terras maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

Roland Schimmelpfennig – Voor/Na

De 51 korte scènes in Voor/Na van theaterauteur en -regisseur Roland Schimmelpfennig (1967) spelen zich af in de kamers van een hotel. De levens van de bijna veertig personages nemen tijdens hun verblijf een wending, groot of klein. Het stuk is slechts een fragment, we zien slechts een klein segment van levens die continu wendingen nemen.

In wat regieaanwijzingen lijken te zijn, lezen we de biografieën van een aantal van de personages. Soms worden jaren uit een leven beschreven, soms wordt er iets over het karakter of het uiterlijk van een personage verduidelijkt:

Zij komt de badkamer uit en gaat naast de man op het bed liggen en begint in een boek of een tijdschrift te bladeren. Ze heeft een beige nachthemd aan. Zij is zoals hij, ze is massief, maar niet vet. Ze maakt misschien een ordinaire indruk, maar in feite is ze gewoon praktisch.

In Voor/Na lezen we zowel realistische als fantasievolle scènes. Zo volgen we door het stuk heen een affaire die het einde van een relatie betekent, maar zien we ook een ʻdunne manʼ die via muren en plafond een rondje door zijn kamer loopt. En is er de man die in scène 19 naar een schilderij in zijn hotelkamer kijkt, in scène 22 in dat schilderij verdwijnt en in scène 34 vertelt over het leven dat hij aan de andere kant van het canvas heeft opgebouwd. Daartussen, in scène 27, staat zijn vrouw met twee politieagenten in de hotelkamer, op zoek naar sporen van haar plots verdwenen man. Ondertussen filosoferen onderhoudsmonteurs over de temperatuur van het heelal en lukt het een jager zich te laten inslikken door het organisme waarnaar hij op jacht is.

De Nieuwe Toneelbibliotheek | 2019 | Uit het Duits vertaald door Tom Kleijn | Nederlands | 132 paginaʼs | € 12,50

 

Georges Perec – De aanslag in Sarajevo

In 1957 dicteerde Georges Perec (1936) in amper anderhalve maand L’attentat de Sarajevo aan zijn vroegere klasgenoot Noëlla Menut. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Claude Burgelin in zijn voorwoord schrijft dat de roman ‘een haastig gelopen proefgalop is’, waardoor bepaalde slordigheden en herhalingen in het boek te ontwaren zijn. Manet van Montfrans noemt L’attentat, naast Gaspard pas mort (1959) en Le Condottière (1960), ‘voorstudies voor het latere oeuvre’. Geen van de drie boeken werd destijds gepubliceerd, waardoor Les choses (1965) uiteindelijk als Perecs debuut geldt. Nadat in 2012 alsnog La Condottière werd gepubliceerd, bracht Seuil in 2016 L’attentat, dat nu dus in vertaling is uitgekomen.
In meerdere opzichten laat die roman zich inderdaad lezen als vooruitwijzing naar later werk. Het verhaal van een liefdesdriehoek tussen de ik-figuur en de Joegoslavische Branko en Mila wordt afgewisseld met hoofdstukken waarin de moord op Franz Ferdinand in 1914 wordt gereconstrueerd, en die dubbele structuur zullen Perec-lezers in het latere werk terugvinden, bijvoorbeeld in W of de jeugdherinnering. Tegelijkertijd belichaamt de roman het begin van een traject dat Perec uiteindelijk nooit écht heeft voortgezet, namelijk dat van de psychologische roman. Burgelin typeert De aanslag in Sarajevo als ‘iets wat dicht in de buurt van de psychologisch analyserende roman komt en een geschiedenis van liefde en jaloezie schetst. Na lezing van het boek zal men misschien denken dat hij er goed aan heeft gedaan die paden niet meer te bewandelen.’ Die kritische toonzetting is begrijpelijk als je de roman afzet tegen het latere werk, dat subtieler is in het gebruik van ironie en geraffineerder in de thematisering van de herinnering, maar de publicatie van deze (nog altijd intrigerende) roman is juist waardevol als illustratie van het parcours dat Perec als schrijver heeft afgelegd. Hij werd niet geboren als de schrijver van Het leven: een gebruiksaanwijzing, en dit boek is onderdeel van de grillige route daarheen.

Arbeiderspers | 2020 | Uit het Frans vertaald door Edu Borger | Nederlands | 171 pagina’s | € 19,99

 

Patrick Bassant – Een vlinder in de inktpot

Patrick Bassant publiceerde in 2012 de roman Joy, over een beeldhouwer die het lichaam van het levende standbeeld Joy wil plastineren. Dit jaar is zijn tweede roman verschenen: Een vlinder in de inktpot. De roman bevat twee sporen, die allebei naar de Spaanse Burgeroorlog leiden. Het ene is dat van de fictieve figuur Pit, die zich als oorlogsfotograaf aan de Republikeinse zijde bevindt; het andere is dat van de vermaarde katholieke hispanoloog Johan Brouwer, die voor een rechtse krant verslag gaat doen van de burgeroorlog, en ondanks zijn initiële sympathie voor Franco en zijn voorgenomen onpartijdigheid, steeds meer overhelt naar Republikeinse zijde. In de Tweede Wereldoorlog zou Brouwer in het verzet gaan en vanwege zijn deelname aan de aanslag op het Amsterdams Bevolkingsregister geëxecuteerd worden.
Zo ver loopt Bassants roman echter niet door; die eindigt met het ‘Internationale Schrijverscongres voor de Verdediging van de Cultuur’, dat in 1937 in Spanje werd gehouden en waar bijvoorbeeld André Gide’s Retour de l’U.R.S.S. op de agenda stond (en niet omdat het zo’n florissant verslag was). Aan de hand van dit congres dramatiseert Bassant de interne machtsdynamiek aan de kant van de Republikeinen, waar de onverbiddelijke ‘helpende’ hand van de Sovjet-Unie loyaliteit aan de Partij afdwingt in ruil voor de geboden hulp (‘de oorlog komt vóór de revolutie!’), anarchisten en trotskisten als onbetrouwbare fascisten worden afgedaan, en Stalins invloed niet in de laatste plaats voelbaar is door de paranoia die alomtegenwoordig is. Jef Last speelt in het slotdeel van de roman een sleutelrol, en is niet de enige vooraanstaande intellectueel die passeert: Hemingway, Malraux, Joris Ivens, Picasso, Robert Capa, Gerda Taro en vele anderen komen voorbij. In zijn behandeling van bijvoorbeeld Hemingway lijkt Bassant soms te hebben getwijfeld tussen parodistische karikatuur en gelaagd realisme, waardoor sommige passages tussen precies die twee stoelen in vallen. Desalniettemin slaagt hij er met dit indrukwekkende epos in het  individuele lotgeval in te bedden in het ‘grotere’ – zowel het grotere van de burgeroorlog als dat van de intellectuele geschiedenis.

Wereldbibliotheek | 2020 | 414 pagina’s | Nederlands | € 25,-

 

Jeanne Gerrity & Anthony Huberman (eds.) – Dodie Bellamy Is on Our Mind

Een passage uit John Wieners ‘Memories of You’:

And I have known women, too, laid beside them in the dawn—

but never balled them. Tho I want to.

Would some woman come up and give me enough of her flesh

so I could ball her and pretend she was a man,

For how else could I do it? For I have a woman’s

mind in a man’s body, and it would be lesbianism

otherwise, and it is a curse.

Unless some woman see and relieve me of this misery.

Deze vrouw is Dodie Bellamy, als je de roddel gelooft. Ze rakelt ‘m op in een dialoog met echtgenoot Kevin Killian: “the rumors were flying that I’d had an affair with Wieners, as if one homosexual poet — you — weren’t enough for me.” Dit gesprek, begonnen na Kevins kankerdiagnose (“a strategy to project a future, to imagine being alive for a full year”) en twee maanden later afgebroken door zijn voortijdige dood, vormt het slotstuk van Dodie Bellamy Is on Our Mind. Deze bundel is het resultaat van het jaarlange onderzoek naar haar oeuvre van het CCA Wattis Institute for Contemporary Arts in San Francisco. In drie essays worden de schrijver en haar oeuvre van context voorzien, al vraag ik me af of dat echt ergens goed voor is. Bellamy is daar prima zelf toe in staat. Niet alleen laten haar essays, brieven en ander proza een samensmelting zien van theorie, fictie en autobiografie, dat proces wordt ook uitvoerig toegelicht, tegendraads gelezen en live ondertiteld. Bellamy bekijkt zichzelf en zet zichzelf te kijk, niet zozeer uit exhibitionisme — al denk je daar misschien aan door haar schalkse abjectie — maar vooral uit het dagelijkse ongemak dat zij beleeft met/van haar identiteit, haar karakter, haar lichaam en, ja, haar abjectie. Het interessantste commentaar op Bellamy’s werk zit reeds in het werk zelf. Zelfbewust en zelfreflexief schreef ze begin jaren nul al, lang voordat Twitter haar buurt gentrificeerde: “I feel miserable and invaded — as if the audience has x-ray vision and can see down to the frayed elastic on my panties. But, really, it is I who have invaded my own privacy.”

CCA Wattis Institute for Contemporary Arts & Semiotext(e) | 2020 | 184 pagina’s | Engels | € 25,99

 

Claude McKay – Romance in Marseille

Het verhaal achter deze in de vroege jaren dertig geschreven roman van Claude McKay (1889-1948), een van de sleutelfiguren van de Harlem Renaissance, strijdt om voorrang met het verhaal van de roman. “The first publication of Romance in Marseille […] marks not so much the unexpected discovery of a valueable novel as the long-overdue freeing of one, the amplifying of entertaining and historically significant voices previously trapped in an archival vacuum.” Niet gek dus dat deze roman van krap 130 pagina’s is uitgerust met 50 pagina’s inleiding (van Gary Edward Holcomb en William J. Maxwell) en een notenapparaat van zo’n 30 pagina’s. Het verhaal van de roman laat zich het makkelijkst navertellen: Lafala verliest op een overtocht per schip naar Amerika zijn onderbenen, weet met enige hulp daar een forse compensatie voor op te strijken en keert vervolgens terug naar het broeierige wereldje van een havenbuurt in Marseille, met alle sekswerkers, queers en marxistische intellectuelen van dien. Dat Lafala een zwarte man is, opent voor deze roman over de gevolgen van een amputatie niet alleen een sociaal-allegorische horizon, maar maakt bovenal duidelijk hoe beperkt het beelden- en verhalenreservoir van de vroege twintigste eeuw (een tijd die juist door de literatuur soms tot op het vertrouwde af bekend lijkt) nog altijd is aangesproken. Verwacht ondanks alle inclusiviteit overigens geen ‘zachte krachten’-heilsgeschiedenis: geld blijft geld. Het verhaal achter de roman is niettemin een onvervalste overwinning.

Penguin Books | 2020 | Engels | 165 pagina’s | € 15,99

 

J.M.G. Le Clézio – Chanson bretonne, suivi de L’enfant et la guerre

Op de vraag hoe Bretagne, waar hij in zijn jeugd zijn vakanties doorbracht, hem heeft gevormd, antwoordt Jean-Marie Le Clézio in een interview: ‘Bretagne heeft me het gevoel gegeven een ‘geboortegrond’ te hebben, een plaats die nieuwe inspiratiebronnen aanboorde en waardoor ik een nieuw ‘toebehoren’ uitdacht. Ik heb het nooit als vakantieoord ervaren. Het was een achtergesteld oord, verwaarloosd, ver van het beeld van het land van Eden dat de folders ervan gaven.’ Als hij als volwassene terugkeert, treft het verdwijnen van de Bretonse taal hem: ‘Onbegrijpelijk dat in zo korte tijd de taal en het culturele erfgoed zijn verdwenen.’
In 2014 verscheen al de Skol Vreizh-uitgave Jean-Marie Le Clézio et la Bretagne, waarin een aantal interviews met Le Clézio waren verzameld waarin hij over Bretagne spreekt. In het recent verschenen Chanson bretonne keert hij andermaal terug naar de Bretonse grond waar hij zijn vakanties als kind doorbracht, in Saint-Marine. In als ‘chansons’ gepresenteerde hoofstukken schetst hij zonder nostalgie een plaats waar men naar de dorpspomp moest gaan om water te halen, en waar verse melk bij de boerderij om de hoek gehaald kon worden; kortom, een onherbergzaam, nog niet gegentrificeerd plaatsje waar kledingzaken, kroegen, restaurants, en druk verkeer de rustieke idylle nog niet verstoorden. Het  plaatsen van intieme herinneringen in het ruimere kader van een geschiedenis die het persoonlijke overstijgt is geen thematische uitzondering in Le Clézio’s werk. In dit geval heeft hij de niet geringe taak op zich genomen  zijn terugval in de kindertijd op geraffineerde wijze te verknopen met een elegie voor de klanken van de Bretonse taal, die met de modernisering die in de jaren ’60 optrad in het gebied goeddeels is uitgewist. De klanken leven hooguit voort in museale vorm. Op het verhaal over Bretagne volgt L’enfant et la guerre, waarin het gaat over Le Clézio’s kindertijd, tevens oorlogstijd, in het achterland van Nice.

Gallimard | 2020 | Frans | 160 pagina’s | € 17,98

 

Iain Sinclair – Städte begehen. Exkursionen nach Berlin, Marseille und Palermo

Tempora mutantur, nos et mutamur in illis – dat geldt niet alleen voor tijd maar ook voor ruimte: we vormen onszelf en de ruimte om ons heen, en de ruimte vormt ons vervolgens evenzeer. De Welshe schrijver en filmmaker Iain Sinclair staat bekend om zijn psychogeografische boeken waarin hij de voortdurende verschuivingen en veranderingen van steden en regio’s in kaart brengt. Zijn berichten schrijft hij meestal op basis van lange wandelingen door het betreffende gebied, zoals in Ghost Milk (2011) en The Last London. True Fictions from an Unreal City (2017), waarin hij Londen en omgeving onderzocht. ‘Literaire archeologie’ wordt dat weleens genoemd: al wandelend graaft Sinclair zich in de tijdsegmenten en de architectonische vormgeving die een plek bepalen. Daarbij gaat het altijd om de manier waarop hij, een mens, een wandelaar, zijn omgeving waarneemt en welke vergelijkingen voor de hand liggen als je maar goed genoeg kijkt. De Duitse uitgave Städte begehen bevat excursies naar Berlijn, Marseille en Palermo. Het stuk over Marseille draagt de naam van het ambitieuze project ‘Cité Radieuse’ van Le Corbusier, een gigantisch gebouw dat op een reusachtig cruiseschip lijkt. Sinclair maakt uitstapjes naar het verlangen naar de zee, naar Joseph Conrad en Anna Seghers, die volgens hem in haar boek Transit een van de beste beschrijvingen gaf van de hel als geografische schouwplaats, als haven die het niet vermag je naar een betere plek te brengen. ‘Palermo, Catacombe’ werd niet eerder gepubliceerd en is een onderzoek naar de doden van de stad die nog tot negentig jaar geleden in de catacomben van de Kapucijners werden geplaatst. De gemummificeerde lichamen kunnen nog steeds bezichtigd worden.

Wehrhahn Verlag | Uit het Engels vertaald door Jürgen Ghebrezgiabiher en Sven Koch | Duits | mei 2020 | 135 pagina’s |  | € 14,-

 

Luigi Reitani – Hölderlin übersetzen. Gedanken über einen Dichter auf der Flucht

In 2020 vieren we 250 jaar Hölderlin. In mei verscheen de Nederlandse vertaling van de nieuwe biografie over de grote dichter van Rüdiger Safranski – de moeite waard voor Hölderlin-liefhebbers, ook al luidt de ondertitel van de Nederlandse uitgave ‘Biografie van een mysterieuze dichter’. Het Duitse origineel laat de dichter aan het woord: ‘Komm! ins Offene, Freund!’. Wie deze beroemde onvoltooide elegie in het Nederlands wil lezen, kan bij onze collega’s van Ooteoote terecht die het gedicht in vertaling van Erik de Smedt op hun website hebben geplaatst.
De Italiaanse Luigi Reitani is Hölderlin-expert en vertaler. Hölderlin übersetzen. Gedanken über einen Dichter auf der Flucht bevat zeven schitterende essays en een inleiding die laten zien dat het mogelijk is om zelfs een talig zo creatieve en bezielde dichter als de ‘priester van de Duitse dichtkunst’ te vertalen als je maar zo gedurfd opereert als Reitani. In het essay over de literaire doorwerking van Hölderlin na 1945 stelt de vertaler het door Wolfgang Borchert aangekaarte misbruik van Hölderin door de nationaalsocialisten tegenover de interpretatie van Hölderlin als revolutionair. Bijzonder spannend wordt het op het moment dat Reitani intertekstuele verwijzingen uit andere talen opneemt, zoals in gedichten van zijn landsgenoot Andrea Zanzotto. Reitani laat zien hoe we ons vandaag het beste bezig kunnen houden met cultureel erfgoed: op een erudiete, onbevreesde manier met oog voor het internationale.

Folio Verlag | 2020 | Duits | 107 pagina’s | € 20,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden en Renée van Marissing. Vormgeving: Herman van Bostelen