Signalementen september

Op de blog van Terras verschijnen maandelijks signalementen van boeken uit binnen- en buitenland die volgens de redactie onderbelicht zijn gebleven of meer aandacht verdienen.

 

Miklós Radnóti – Het schriftje van Bor

Ik leefde op de aarde in een tijd

waarin wie sprak zich beter kon verbergen

en zich in schaamte op zijn knokkels bijten,

het land grijnsde de gruwel tegemoet,

zwolg in zijn lot, dronken van vuil en bloed.

 

Deze regels zijn afkomstig uit een nagelaten fragment van de Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944), dat als voorbereiding diende voor een gedicht dat hij uiteindelijk nooit heeft kunnen voltooien. Radnóti geldt als een van de belangrijkste Hongaarse dichters van het interbellum, aanvankelijk expressionistisch en modernistisch, later meer neigend naar neoclassisistische vormvastheid. Hoewel hij zichzelf niet als Joods maar nadrukkelijk als Hongaars dichter afficheerde, werd hij vanwege zijn Joods-zijn tot drie keer toe opgeroepen voor de arbeidsdienst, de derde keer in 1944. Hij belandde samen met zesduizend andere Joodse Hongaren in het Servische district Bor, waar hij dwangarbeid verrichtte in het kamp Heidenau bij de plaats Žagubica. Door de opmars van Tito moest het kamp geëvacueerd worden en werden de gevangenen gedwongen mee te lopen in de zogenaamde dodenmarsen. Ook Radnóti liep in zo’n dodenmars en overleefde het niet. Hij werd vermoord en met 21 andere gevangenen begraven in een massagraf, dat 20 maanden later, op 23 juni 1946, opgegraven werd. In de binnenzak van Radnóti’s jas trof men een ruitjesschrift (dat later bekendheid verwierf als ‘het schriftje van Bor’) aan met tien gedichten, waarvan hij er vijf in Heidenau schreef en vijf tijdens de dodenmars. Een deel van het schrift was door vocht onleesbaar geworden, een ander deel is wonderlijk genoeg bewaard gebleven. Voor Terras #18 ‘Cariben’ vertaalde Cora-Lisa Sütő enkele van Radnóti’s gedichten en schreef daarbij een uitvoerig inleidend essay: ‘Onder elk gedicht noteerde hij dag en plaats van ontstaan, waardoor de reeks niet alleen de dichterlijke neerslag van zijn ervaringen vormt maar ook de documentaire van zijn laatste reis, waarop we hem statie voor statie kunnen volgen.’ Deze uitgave van Van Oorschot is de eerste volledige vertaling van ‘het schriftje van Bor’, waarbij de Nederlandse dichter Arjaan van Nimwegen en de Hongaarse neerlandicus Orsolya Réthelyi de vertaling voor hun rekening namen. Arnon Grunberg schreef het nawoord, waarvoor hij overigens rijkelijk heeft geput uit Raster-nummer #110 ‘Flessenpost’ (2005) en Jacq Vogelaars Over kampliteratuur (2006). Om te zien dat Radnóti een groot dichter is, volstaat het om alleen al de even omineuze als indringende openingsregels te lezen van het gedicht ‘Zevende ecloge’:

Zie je, de avond valt, overal prikkeldraad, ruwhouten hekken,

barakken vervagen en zweven, hun vorm door de nacht ingeademd.

Van Oorschot | 2021 | Vertaald uit het Hongaars door Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi | 64 pagina’s | €17,50

 

Willem Jan Otten – De Om

Sinds anderhalf jaar geeft uitgeverij Van Oorschot jaarlijks vier boekjes uit in de serie ‘Terloops’. Deze naam dankt de reeks aan het gelijknamige boek van J.J. Voskuil, een reisdagboek over zijn voettochten door Frankrijk. Bij Willem Jan Otten is de locatie van zijn dagelijkse rondje, zijn ‘om’ de Amsterdamse Sloterplas. Otten is in De om nooit een wandelaar maar van begin tot eind (en daarna) een schrijver die wandelt. In deze essayistische wandeling richt de schrijver het woord tot zichzelf in de je-vorm. Het lijkt alsof hij zichzelf toespreekt, zichzelf anekdotes en personen helpt herinneren, zichzelf flarden van zijn eigen geschiedenis vertelt. Daarmee voelde ik me als lezer een indirecte toehoorder, waardoor ik het gevoel kreeg dichterbij de verhalen van de schrijver te kunnen of mogen komen. In een radio-interview zei Otten dat hij adviseert het boekje in een keer uit te lezen, dat zou zo’n vijf kwartier in beslag nemen, net zo lang als zijn wandeling duurt. Maar zo nu en dan staat er, soms tussen witregels, een vraag die ervoor zorgt dat ik het boek op mijn schoot leg en lang nadenk over die vraag voordat ik verder lees.

‘Waar ben je als je denkt?’

Langer dan vijf kwartier bezig zijn met het lezen van dit boekje is absoluut geen straf, De Om is een prachtig kleinood.

Van Oorschot | 2021 | Nederlands | 72 pagina’s | € 12,50

 

Tuur Devens – Theater der dingen. Verdinging en verstilling

‘Van de zeventiende tot en met de twintigste eeuw stond in Europa de natuur op de achtergrond. De mens stond op het toneel en als decor was er de natuur. In het antropoceen is dat decor op het toneel terechtgekomen.’ Deze diagnose van Bruno Latour vormt voor theaterrecensent en romancier Tuur Devens het startpunt voor een verkenning van Vlaamse toneel- en dansvoorstellingen die hij samenbrengt onder de poëtica van het theater der dingen, ‘theater waarin dingen de rol van de tekst hebben overgenomen, waarin objecten het verhaal vertellen, waarin dingen zowel metaforisch als an sich kunnen bestaan’. Daarmee maakt Devens Latours kenschets van het antropoceen direct aanschouwelijk en weet hij nieuwe vormen van spelen en bewegen stevig te verankeren in het hier en nu waarin theater nu eenmaal meer dan welke andere kunstvorm ook bestaat. Een dergelijk filosofisch gefundeerde en essayistisch getoonzette tocht door het theaterlandschap mag een zeldzaamheid genoemd worden in de Nederlandstalige secundaire toneelliteratuur. Devens toont zich een gepassioneerd toeschouwer met een even scherp oog voor grote dwarsverbanden als voor kleine subtiliteiten, die voorstellingen geenszins reduceert tot louter voorbeelden van zijn paradigma. Met een vakkundig aangebrachte historische en literaire inbedding laat hij overtuigend zien dat het theater der dingen weliswaar hoogst actueel is maar bepaald niet losstaat van een lange traditie van poppen, marionetten, maskers, automatons, robots, kijkdozen, maquettes en readymades. Aan dingen heeft het onze wereld nooit ontbroken.

C-takt | Bebuquin | 2021 | 243 pagina’s | €25,-

 

Alison Bechdel – The Secret to Superhuman Strength

The Secret to Superhuman Strength is Alison Bechdels derde graphic novel. Eerder schreef ze het autobiografische Fun Home (2006), over het leven en de (zelfgekozen?) dood van haar vader, en Are You My Mother? (2012), over de relatie met haar moeder. Ook in The Secret to Superhuman Strength neemt ze haar eigen leven als uitgangspunt voor het verhaal. Elk hoofdstuk beslaat een decennium uit haar leven. Het ongrijpbare geheim van menselijke superkracht, daar is de Alison Bechdel uit The Secret to Superhuman Strength al haar hele leven naar op zoek. Het is een verhaal waarin de veelbeproefde weg weer eens het doel blijkt te zijn, maar het is ook al vanaf het begin duidelijk dat dat zo zal zijn, het leesplezier wordt daar zeker niet minder om. Niet alleen is deze graphic novel een memoires over haar ouders, haar geliefden en haar obsessie met sporten en bewegen, haar zoektocht leidt de lezer langs de levens van Margaret Fuller, William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge, Jack Kerouac en anderen die, ieder in hun eigen tijd en op hun eigen wijze zochten naar een manier om zich vrij te maken van de heersende conventies. Wederom heeft Bechdel een bijzonder rijk boek gemaakt.

Jonathan Cape | 2021 | Engels | 240 pagina’s | € 24,95

 

Daisy Lafarge – Life Without Air

We hebben lucht nodig, om te ademen, om in leven te blijven. De titel van het poëziedebuut van Daisy Lafarge lijkt dit haast tegen te spreken. Deze titel is geïnspireerd op ´la vie sans l´air´, zoals Louis Pasteur het proces van fermentatie beschreef. Hij ontdekte via talloze experimenten dat sommige organismen gedijen bij een gebrek aan lucht, en zelfs tot ontwikkeling kwamen in een vacuüm.
De verstikking van een ‘leven zonder lucht’ komt in het werk van Lafarge op een andere manier tot uiting. In heldere, veelvormige gedichten verkent Lafarge hoe we als mens verweven zijn met onze omgeving, als lichaam in een stad, onze adem met de lucht, de eencelligen die in en om ons leven. Ze laat zien hoe we verbonden zijn met wat ons ook verstikt, hoe wij vastzitten in een symbiose van het menselijke en dat wat we niet-menselijk noemen.
Deze bundel is te bestempelen als ecologische poëzie, maar zoals The Guardian ook in een recensie opmerkte, staat in haar werk (anders dan in sommige meer traditionele ecologische poëzie) een echte onderlinge relatie centraal tussen het organisme en haar omgeving, waarbij er sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid. De omgeving is hier niet alleen het landschap waarin de mens zich begeeft, maar ook de mens zelf is een omgeving waarin talloze eencelligen in kolonies leven, of zelfs tot het niveau van elementaire deeltjes, zoals in het gedicht ‘nothingness is the scene of wild activity’:

i

the electron

touch not yrself!

lest you reabsorb the energy of yr own photon, with silky caress

‘o that is immoral!’ says the male physicist, ‘and yet the electron does it’

eyeing a particular pleasure w/ globular disdain

there is no void, unless the gesture towards the self is empty
(…)

Eerder dit jaar publiceerde Lafarge ook haar eerste roman getiteld Paul, waarmee ze de Betty Trusk Award won. Tevens is ze actief als kunstenaar, zij voorzag Life Without Air van fijnzinnige tekeningen.

Granta Poetry | 2020 | 96 pagina’s | Engels | € 16,95

 

Cécile Meynard & Karima Thomas (red.) – L’ultra-bref. Les temps de la fulgurance

‘Een man gaat in Monte Carlo naar het casino, wint een miljoen, gaat naar huis, pleegt zelfmoord.’ Die zin van Tsjechov wordt geciteerd in de inleiding van Raster #122 ‘Ultrakort & langer’. De Argentijnse schrijver Ricardo Piglia speculeerde in zijn boek Formas brevas (2000) over de vraag wat schrijvers als Poe, Kafka, Borges en Hemingway met die zin gedaan zouden hebben. Een vergelijkbaar spelletje zou je kunnen spelen met het microverhaal van een andere Argentijn, Eduardo Berti: ‘Toen de dinosaurus wakker werd, waren de goden nog daar, gehaast bezig met het bedenken van de rest van de wereld.’ Berti’s microverhaal, afkomstig uit zijn boek La vida imposible (2002), wordt geciteerd in de inleiding van de recent verschenen studie L’ultra-bref. Les temps de la fulgurance, die een twintigtal essays bevat, geschreven door evenveel auteurs, waarin de ultrakorte vorm in verschillende mediale uitingsvormen wordt verkend. Bekende ultrakorte literaire vormen als het microverhaal, de microroman, de haiku en minimalistische poëzie passeren uiteraard, maar er wordt ook verkend hoe de ultrakorte vorm vertaald kan worden naar andere media zoals fotografie, theater, dans, radio, en de plastische kunsten. Naast zuiver theoretische uiteenzettingen met een academische inslag over bijvoorbeeld het verschil tussen het Franse ‘bref’ en ‘court’ en over de relatie van het ultrakorte tot de tijd, bevat de bundel ook essays over het werk van zo uiteenlopende figuren als Diderot, Rick Bass, Pascal Quignard, Baudelaire, Achille Campanile, Stendhal en Ernest Pignon-Ernest.

Presses Universitaires François Rabelais | 2021 | Frans | 403 pagina’s | €25,-

Over de auteur:

Terras staat onder redactie van Tommy van Avermaete, Anna Eble, Fyke Goorden, Renée van Marissing en Dorien de Wit. Vormgeving: Herman van Bostelen Stagiair: Márton Biró