thema:

Over dromen en dichtregels

Vertaling:

honderden kilometers afstand, droomde een meisje over een man die over een dichtregel droomde die hij nooit eerder gelezen had2. De

filologie of ze die twaalfvoetige dichtregel kenden, maar niemand kon hem een bevredigend antwoord geven. Hij dook vervolgens in anthologieën en bloemlezingen, in een poging wat voor aanwijzing dan ook te vinden dat hij iets op het spoor was, maar hoe meer hij zocht en snuffelde, een positief resultaat bleef uit. De lessen die hij die dag gaf waren slecht en op het tijdstip van het middageten gaf hij er de voorkeur aan door te gaan met zijn navorsingen in de bibliotheek, hoewel ze op niets uit liepen. ’s Avonds, toen hij weer thuis was, ging hij op de bank liggen, zette de televisie aan en viel doodvermoeid in slaap.
2  Ze heette Paulette Beaumont en ze had die onmogelijke kleur ogen die alleen een nymphet in een roman kan hebben: grijs. Op haar dertiende woonde ze met haar moeder in een dorpje in de Franse Alpen, ze hield van wandelen door de bergen met Nuage (haar betreurenswaardige kreupele en loensende waterhond) en ze had een hekel aan vriendschappen onderhouden met haar klasgenootjes, op één uitzondering na: met Jean-Baptiste, een autistische jongeling van Vietnamese afkomst, over wie Paulette (in haar slaap, maar ook als ze wakker was) droomde dat ze met hem een gezin zou stichten. Eigenlijk namen Paulettes dromen slechts twee vormen aan: of het waren kinderachtige geschiedenissen vol familiegeluk (waarin ze onvermijdelijk met Jean-Baptiste trouwde – of met een van de knappe jongens die in full colour in de tijdschriften stonden die ze steels inkeek in madam Caniers kapperszaak, in de Rue des Beaux Orages, die ze punctueel en onder moederlijke dwang tweemaandelijks bezocht); of het waren, en dat was het andere uiterste, schimmige nachtmerries waarin ze in de bossen in de omgeving verdwaalde, en achterna gezeten werd door bovennatuurlijke wezens – meestal behaard en met een sardonische lach – die als bezetenen tierden en krijsten in vreemde talen van afgelegen landen. Daarom was haar verbazing zo groot toen ze tijdens die vroege ochtend in maart 1992 over een man droomde die over een dichtregel droomde die hij nooit eerder gelezen had; een dichtregel van een Franse schrijver wiens naam ze zich niet herinnerde maar dat ze enkele dagen eerder door haar literatuurdocent horen opzeggen: ‘Je cherche en même temps l’éternel et l’éphémère’. Maar wat Paulette verbaasde was niet zo zeer dat ze zich die hoog gegrepen regel in haar droom had weten te herinneren, maar dat iemand in staat was geweest om over een dichtregel te dromen die hij nog nooit gehoord of gelezen had. Hoewel, dacht ze, terwijl ze naar school liep en de waterplassen ontweek die op haar route lagen, als ik over behaarde en afzichtelijke monsters met een kikkerhuid en een varkensstaart kan dromen, dan zou ik niet weten waarom een

Over de auteur:

Pablo Martín Sánchez (Reus, 1977) is een Spaanse schrijver. Hij studeerde Drama, Literatuur, Vergelijkende literatuur en Franse taal en letterkunde. Hij vertaalde werk van onder meer Alfred Jarry, Marcel Schwob, Raymond Queneau, Bernard-Marie Koltés en Wajdi Mouawad.

Over de vertaler:

Luc de Rooy is schrijver, vertaler en uitgever van Uitgeverij Karaat. Hij vertaald uit het Spaans en uit het Engels.