Velen zouden het Utopia hebben genoemd
want de bewoners leven alleen van wat
ze delen, van het werk in de zeevisserij en
de ruilhandel.
Ze wonen in houten hutjes aan zee en meer
dan met mensen staan ze in contact met
hun zielen en heiligen die ze bewaren om
de woede van de golven te sussen.
Niemand praat, maar op de dagen dat de
storm losbarst, wordt de stilte van hun
gezichten intenser dan het geraas van de
zee en dan hoeven ze niet hardop te
bidden want de hele wereld is hun Heiligdom.
i. Verlaten verrezen alle stranden als een visioen dat hun
pupillen omspoelde
ii. Waarin Chili de zoon was die ons vaarwel zei vanaf die
stranden en wij de horizon die afscheid van hem nam
verduisterd en hem strak in de ogen keek
iii. En waar in de verte nu geen stranden meer waren maar
het eenzame visioen waarin de doden ons met hun
vaarwel in hun blik griften herboren springlevend
als lammeren onder de ontroerde hemel waarin het
vaderland huilend zijn zonen opnieuw kuste