Oneindigheid
Niet ins blauwe hinein, maar ook niet out of the blue, als film, in literatuur en in de beeldende kunst. De schrijver die de tijd naar zijn hand zet en de filmmaker die de tijd probeert in te halen, dichters en regisseurs die eindigen waar ze begonnen waren: de lijst van films die net als het gedicht van Rimbaud eindigen waar ze begonnen waren, die eindigen met de oneindigheid van het open einde, de zee, de lucht, het blauw — lijkt eindeloos. Het begin en het einde: The Bridge on the River Kwai van David Lean (1957) met een blauwe lucht die door een roofvogel wordt doorkruist, in de eerste en allerlaatste beelden van de film (afb. 22-23). Gus van Sants Elephant dat met een onrustige groenblauwe hemel opent en met haastig voortgejaagde donkerblauwgroene wolken sluit (afb. 24-25)? Hoe Godard vlak voor het einde van Bande à part (1964) een boot tegen een ‘grijze’ hemel en ‘grauwe’ oceaan weg laat varen (afb. 26, de film is in zwart-wit). De luchtzee aan het slot van Pierrot le fou, het water en de wolken helemaal voor- en achteraan Godzilla (1954, afb. 27-28), de rivier waarmee Mystic River (2003) logischerwijs lijkt af te sluiten (afb. 29). Het lichte baby-blauw dat het begin van Araki’s Nowhere (1997, afb. 30)) afbakent en nog alle kanten uit kan. Of de volledig Blue-blauwe schermen aan het slot van Winterbottoms I Want You (1998, afb. 31-32) en Kieślowski’s Trois couleurs: Bleu (afb. 33) dat al in september 1993, enkele maanden voor Jarmans film verscheen: beelden waarin begin en einde elkaar niet alleen herhalen maar cyclisch lijken terug te komen om het verhaal letterlijk en figuurlijk rond maken en zo iets van oneindigheid te bereiken. Van diezelfde oneindigheid waar Jarman in Blue niet eens meer naar hoefde op zoek te gaan.
Blue love
Merleau-Ponty mag wel gezegd hebben dat het “scherm geen horizonten kent”, niet meebeweegt met onze aldoor verschuivende, altijd-bewegende blik en geen pas houdt met de vluchtigheid van onze waarnemingen,[xviii] dat de cinema in beelden resulteert die te star en onbeweeglijk zijn — toch heeft film alles met de horizon en beweging en beweeglijkheid te maken. Met zien en niet zien en ‘zien’ wat er niet gezien wordt: het blauw klaar voor projectie. Dat is ook wat Jarman zich afvraagt in een notitie van 4 juni 1989, tijdens de voorbereidingen voor zijn film, als Blue nog de werktitel Blueprint/Bliss heeft: de vraag of deze nieuwe ideeën kunnen “be resolved with the Tao Te Ching: great fullness seems empty?”[xix]
Dan is blauw voor hem ook weer of nog steeds de kleur van de liefde, een Sebastiane in de hemel, Pasqualone “gapend tegen de blauwe lucht”[xx] en wachtend aan het einde van de grote oceaan,[xxi] blue love als een ander woord voor queerness. “Blue is the universal love in which man bathes — it is the terrestrial paradise,” [xxii] hoor je de stem van Jarman al na vijf minuten Blue verkondigen. “Don’t think I’m afraid of dying,” probeert Ludwig in Wittgenstein zijn geliefde Keynes te troosten, “It’s death that gives life its meaning and shape.”[xxiii] “Sebastiano mors sit/Dood aan Sebastiaan!”[xxiv] is de imperatieve uitspraak, waarmee, bijna tien minuten voor het einde van de film het tekstuele gesproken deel van Sebastiane wordt afgesloten. Het lijkt of Jarman die raadselachtige stilte herneemt, als hij aan het slot van Wittgenstein een marsmannetje rapport laat uitbrengen dat de “solution to the riddle of life and space and time lies outside space and time”. [xxv]
Het is zoals met de slotwoorden van Caravaggio — Michele die zijn geliefde ‘Pasqualone’ roept en Pasqualone die ‘Michele’ antwoordt,[xxvi] alsof de twee elkaar vinden in het verschil, een echo die alles alsnog openlaat. Overal, en nergens. Zoals in het slot van Blue, “I place a delphinium, Blue, upon your grave.”[xxvii] Blue, met hoofdletter, alsof het om een persoon gaat, een eigennaam en een verwijzing naar de film die zichzelf kijkt en tegen zichzelf spreekt. En dan alleen nog de aftiteling, een grafschrift in blauw op zwart, “dedicato a H.B. e a tutti i veri amanti” (afb. 34). Zo eindigt een oeuvre bijna waar het begonnen was, met de verschuiving van onthaal naar ode. Van de onmiddellijke aanroep in de Latijnse vocatief Sebastiane naar de opdracht, de éloge van een “to H.B. and to all true lovers,” een Italiaans encomio.








