thema:

Gegenstände/Voorwerpen

Vertaling:

(2)

den satz fasse ich – mit russell – als definierte periode einer abkehr
vom gegenstand auf (“periode” durchaus im sinne von: zeitraum
von etwa fünfunddreißig jahren). mit frege verstehe ich den satz
vom abgewehrten gegenstand als gegenstand (oder besser: als lan-
gen gegenstand). interessanter nebenaspekt: wenn gegenstände ge-

geben sind, so sind uns damit schon ALLE gegenstände gegeben
(“gegeben” verstanden als “zugemutet”). gleichheit des gegenstands
drücke ich demnach durch gleichheit des zeichens (wortes) und
nicht mit hilfe eines “ist gleich” aus (“ist gleich” im sinne von “ist
bald”). verschiedene gegenstände erhalten verschiedene zeichen.

weiter: die welt und die zeichen sind eins. ganz analog sind es ästhe-
tik und ethik – oder scheinen es doch bis heute zu sein. das gilt gleich-
falls für den ganzen logischen bereich, den apparat. und weiter: wer
physik sagt, zielt damit auch auf gegenstände. ab. zur seite gesprochen
– mit hertz: physik ist niemals ausgesprochen geil. bezug erscheint

– mit stramm – als schlaff gespanntes seil. und “schlaff gespanntes seil”
als gegenstand – wie sieht es damit aus? seit fünfunddreißig jahren weiß
ichs nicht. tu aber so. und brülle: das sind hier keine spielchen – das ist
beinharte typentheorie! sanft kann ich dann am stammtisch sein bzw.
nach verbleichen. weiter: das “daß” rückt in den mittelpunkt. daß aber

“gegenstand”, ist sache des betrachters. nein, nein – ganz falsch: ist sache
im gegenstandskleid, soutane der bezüglichkeit, zeigt sich im tümlichen
wams. nun scheine ich aber seit fünfunddreißig jahren behaupten zu wol-
len, gerade dieses wams existiere nicht und habe keine ständlichkeit. wie
geht man damit um? man darf diesbezüglich mehr als nur gespannt sein.

 

(2)

de zin zie ik – met russell – als afgebakende periode van afkeer
van het voorwerp (‘periode’ wel degelijk in de zin van: tijdsbestek
van zo’n vijfendertig jaar). met frege zie ik de zin van het afgeweerde
voorwerp als voorwerp (als lang voorwerp liever). interessant bij-
komend effect: als voorwerpen gegeven zijn, zijn ons daarmee ALLE

voorwerpen gegeven (‘gegeven’ begrepen als ‘aangedaan’). gelijkheid
van het voorwerp druk ik dientengevolge met een gelijkheidsteken
(woord) uit en niet met behulp van een ‘is gelijk aan’ (‘is gelijk’ in
de zin van ‘is weldra het geval’). verschillende voorwerpen krijgen
verschillende tekens. voorts: de wereld en de tekens zijn een. geheel

analoog zijn dat esthetiek en ethiek – of schijnen dat toch tot de dag
van vandaag te zijn. dat geldt insgelijks voor het gehele logische do-
mein, het apparaat. en voorts: wie fysica zegt duidt daarmee ook op
voorwerpen. aan. tussen ons gezegd – met hertz: fysica is nooit ofte
nimmer uitgesproken cool. samenhang verschijnt – met stramm –

als slap gespannen koord. en ‘slap gespannen koord’ als voorwerp –
hoe zit het daarmee? al zo’n vijfendertig jaar weet ik dat niet. maar
doe wel alsof. en brul: het is verdomme geen spelletje – dit is bik-
kelharde typentheorie! zacht kan ik dan in mijn stamcafé zijn resp.
na verscheiden. voorts: het ‘dat je’ rukt op naar het centrum. maar

dat je ‘voorwerp’, is een kwestie van perspectief. nee, nee –fout:
is een kwestie in een voorwerpelijk jasje, toga van verband, toont
zich in de doenlijke wambuis. nu schijn ik echter al vijfendertig jaar
te beweren dat die wambuis juist niet bestaat en geen stavastheid
bezit. hoe daarmee omgaan? men mag in dezen meer dan benieuwd zijn.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.