thema:

Gegenstände/Voorwerpen

Vertaling:

(4)

es war ein lexikograph (vermutlich helmut heißenbüttel), der die rea-
lität eines steines dadurch bewies, daß er ihm einen fußtritt versetzte.
der stein bewegte sich – ihm stand der status “wirklich” zu. woraus
dann zwingend folgt: wie auch immer man den aufbau von theorien
formalisieren mag, wir müssen jeweils in der mitte beginnen. weiter:

was begrifflich an erster stelle kommt, sind mittelgroße gegenstände
in mittlerer entfernung. dieser abstand markiert, was wir das ausmaß
nennen wollen. die unterscheidung zwischen abstraktem und konkre-
tem gegenstand ist hierbei von der reizbedeutung unabhängig. dies
läßt sich leicht begreifen, wenn man den singulären gegenstand “fried-

rich bodelschwingh” betrachtet und ihn mit “alonzo church” vergleicht.
weiter: massenpunkte, isolierte systeme und reibungslose oberflächen
sind ideale gegenstände – wenn es je welche gab. radikalisieren wir nun
unsere rede im weierstraßschen sinn gelangen wir ohne zaudern zum
“nützlichen mythos” – kirchenleuten allgemein als “höhere kritik” be-

kannt. sprich also, liebster, niemals indirekt vom gegenstand. sätze mit
“glauben” machen die sache geschlacht. es ist, hipster, heilloser unsinn,
von unverwirklichten einzeldingen zu reden. denn, jeepster, wisse: die
möglichen oder unverwirklichten gegenstände sind immer auch die zwei-
felhaften gegenstände. ein satz, der, teamster, von potentiellen gedichten

handelt, läßt sich für gewöhnlich in einen anderen paraphrasieren, der
von geschriebenen gedichten spricht. und von einem modalen möglich-
keitsoperator regiert wird. bei möglichen löwen kommt auf recht unan-
genehme weise eine wahrheitswertlücke ins spiel. die frage, was es denn
jetzt tatsächlich gibt, unterziehen wir später einer eingehenden prüfung.

 

(4)

het was een lexicograaf (vermoedelijk helmut heißenbüttel) die
de realiteit van een steen bewees door er een trap tegen te geven.
de steen bewoog – hem kwam de status ‘werkelijk’ toe. waaruit ab-
soluut volgt: hoe je de opbouw van theorieën ook wilt formaliseren,
je moet steeds middenin beginnen. voorts: wat begripsmatig op

de eerste plaats komt zijn middelgrote voorwerpen op middelgrote
afstand. deze afstand markeert wat wij de omvang willen noemen.
het onderscheid tussen een abstract en concreet voorwerp is hierbij
onafhankelijk van de omstreden betekenis. dit nu valt met enig gemak
in te zien als men het singulaire voorwerp ‘friedrich von bodelschwingh’

bekijkt en het vergelijkt met ‘alonzo church’. voorts: massapunten,
geïsoleerde systemen en soepele oppervlakten zijn ideale voorwerpen –
als die tenminste bestaan. radicaliseren we nu ons betoog in de
zin van weierstraß komen we zonder aarzelen terecht bij de ‘nuttige
mythe’ – bij kerkgangers algemeen bekend als ‘hogere kritiek’.

spreek dus, m’n beste, nooit indirect over het voorwerp. zinnen met
‘geloof’ maken de zaak soldaat. het is, hipster van me, heilloze nonsens
om van ongerealiseerde afzonderlijke dingen te praten. want, jeepster,
weet dit: de mogelijke of ongerealiseerde voorwerpen zijn altijd ook
de twijfelachtige voorwerpen. een zin, die, teamster, over potentiële

gedichten gaat kan men doorgaans ook parafraseren met een zin
over geschreven gedichten. en die door een modale mogelijkheids-
operator aangestuurd wordt. bij mogelijke leeuwen komt op vrij on-
aangename wijze een gat in de waarheidswaarde in het spel. de vraag
wat er dan nu is, onderwerpen we nog aan een uitvoerig onderzoek.

Over de auteur:

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.