kindertijd
achter het dorp
zat ik,
koeienhoedertje voor een boer,
op het herfstige grastapijt
in de geur van de bosomzoomde weiden.
ik was de koeienvorst
sancta simplicitas
in het braambos.
getooid had zich
met alle sieraden
de kleurendronken oktober.
rookdoorvlamd in het landschap
was al het gewas
van walmende herfstbladvuren.
dwars door de velden
voorbij het ornament van de dorpsgrens
doolden wij,
ik zonder herderszang
en de knisperende aarde,
ik en mijn kudde,
een hartstocht van de herfst.
wereld aanraakbaar
onder handbereik
wereld, aanraakbaar
als grof gemalen meel.
een rechtschapen vroegte,
regel voor regel
in de akker gebukte bietenvrouwen.
tonen van aarde, frontaal.
lichtlevend de ingelijfde stilte.
een appelboom in bloei,
ruikbaar mergel en spoeling,
de gerst wordt geel
in het Dresdener achterland.
klankfiguren, levensgeesten,
die een hoge borst opzetten,
feiten op goed geluk, –
in alle vroegte in de dorpen,
weg naar Lotzen:
wereld aanraakbaar.
… lees meer →