1
Mollen eten geen mensen.
Zij vinden blindelings hun weg.
Ik ging hun gangen na, raakte kwijt
onder de weiden:
tunnels, wegen, kamers
waarin maden, wormen, zaden.
Duisternis totaal, geen draad te zien.
Ik was geen blinde muis met graafhand
noch een griekse held.
Grondsmaak, larf en emelt in de mond.
Droom en verstikking. Voedsel
voor de dood. De weg terug
was afgesneden. Ik werd aarde,
werd de grond die mij omsloot.
2
Een dode mol met dauw bedekt
lag in het tuingrind van mijn ouders –
een zwart fluwelen lijfje, roze snuitje, vliezen
voor de ogen, graafklauwtjes nog uitgestrekt.
Dakloos en verkleumd
had zij het die nacht begeven, kon
tussen de kiezels
niet meer ruiken waar de doolhof
in de losgewoelde grond begon.
Ik groef een graf waar zij ten naastenbij
haar worp te eten gaf
en nog geen dag geleden leefde.
3
Ook … lees meer →